Jaarverslag van de Haagsche Blindenvereniging over 1949


Onze organisatie heeft stormachtige tijden gekend, drukke besprekingen met instanties en vergaderingen met lange agendas waren aan de orde van de dag. Het voeren van voortdurende strijd en de nimmer aflatende actie hebben in de loop der jaren goede resultaten voor onze leden opgeleverd; denken wij nog even aan het grote succes, in 1948, op de werkinrichting behaald. Veel werd bereikt en, al is de toestand voor vele blinden nog lang niet ideaal, toch zijn er voor de Haagsche Blindenvereniging kalmer tijden aangebroken. Er viel in het afgelopen jaar niet veel te bespreken, vandaar dan ook dat er slechts weinig vergaderingen werden gehouden, drie bestuurs- en twee ledenvergaderingen.
In juni en december werd een ontwikkelingsavond gegeven. Op de eerste hield de heer Van der Stijl een lezing over ‘de gedachten van Bellamy’. In december gaf de heer Margedent een causerie met als titel: ‘de opsporing en ontginning van aardolie’. Voor beide onderwerpen bestond wel belangstelling, het tweede mocht zich echter in veel grotere belangstelling verheugen dan de eerste.
Op alle hierboven vermelde bijeenkomsten heerste steeds een prettige kameraadschappelijke geest. Na afloop van de jaarvergadering zorgden lotgenoten van St. Odilia, met muziek en zang, voor een feestelijk slot van deze avond. Alle aanwezigen genoten en keerden voldaan huiswaarts.
Vijf afgevaardigden, J. Berg, Ph. J. Bunschoten, N. Spaans, mej. De la Viter en H. Westphal, woonden op 11 juni het bondscongres bij.
Verheugend is het dat het cultureel tijdschrift, in de beschrijvingsbrief genoemd, reeds in december voor de eerste maal verscheen.
Op 23 juni reisden we met vele leden naar Arnhem, waar de bondsdag dit keer gehouden werd; het was voor iedereen een heerlijke dag, in ieder opzicht het jaarlijks hoogtepunt in ons vereenigingsleven. Eén ding was maar jammer, hij was weer veel te gauw voorbij.
Naar aanleiding van het dertigjarig bestaan van de Amsterdamse Blindenbond op 29 october, werden twee bestuursleden, de heren Bunschoten en Van de Wel, als vertegenwoordigers van de Haagsche Blindenvereniging naar Amsterdam afgevaardigd.
In de op 6 december gehouden bijeenkomst van de bondsraad, werd door de Haagsche Blindenvereniging het voorstel gedaan om, voor de jongeren in onze bond, een zogenoemd jeugdweekend te houden, in een kampeergelegenheid, ten einde hen wat meer inzicht te doen krijgen, in het verenigingsleven, met daaraan verbonden werk van de bond. Dit voorstel werd aangenomen, het bondsbestuur zal hiertoe de nodige stappen doen.
Op 1 januari 1949 bedroeg het ledental 94; 7 personen lieten zich als lid afschrijven, 2 werden door ons afgevoerd, 3 zijn overleden. Ten slotte meldden 13 nieuwe leden zich aan, zodat op 31 december wederom 94 leden stonden ingeschreven.
In het bestuur kwam dit jaar geen verandering, de aftredende leden werden zonder meer herkozen. Het is nu samengesteld uit de volgende leden: P. van de Wel, voorzitter, mej. M. de la Vieter, secretaresse, H. Kok, penningmeester, J. Berg. Ph.J. Bunschoten, N. Spaans en P. Spaans.
Ook in het afgelopen jaar heeft het bestuur steeds op de bres gestaan voor de belangen van de leden; zo nodig werd immer waar dit mogelijk was, langs organisatorische weg hulp geboden. De belangen van onze leden werden in enkele, door de blindencommissie gehouden bijeenkomsten, behartigd door onze vertegenwoordiger, in persoon van de voorzitter. In sommige persoonlijke gevallen bleef dit optreden niet zonder succes. Het gelukte de voorzitter na herhaaldelijk schrijven aan het vestigingsbureau, ons lid C. Rog, aan een geschikte woning te helpen. Hieruit blijkt weer eens duidelijk dat georganiseerd optreden kansen op verbetering biedt.
De besprekingen in de contactcommissie, het lichaam, waardoor de samenwerking tussen de drie organisaties tot uiting komt, vonden geregeld plaats. Door bovengenoemde commissie werd een schrijven gericht tot het bestuur van Sociale Belangen inhoudende het verzoek ook aan die blinden die niet werkzaam zijn geweest op de gemeentelijke werkinrichting, doch wel ondersteuning ontvangen van de gemeente, de vijf gulden extra uitkering te verstrekken, evenals aan hen die vroeger op de inrichting werkzaam waren. Het is te hopen dat de autoriteiten in deze kwestie goedgunstig zullen beschikken.
Wat betreft de Delftse lotgenoten werd het beter geoordeeld nog met hulp te wachten, daar de rijksblindencommissie zich momenteel met deze aangelegenheid bezighoudt en een ontwerp binnenkort verwacht wordt.
Verscheidene malen gaf de Haagsche Blindenvereniging in het afgelopen jaar een blijk van medeleven bij feestelijke herdenkingen, of droevige gebeurtenissen, door sommige onzer leden beleefd, waaruit weer eens duidelijk is gebleken hoe de organisatie in lief en leed met de haren meeleeft.
Verheugend is het feit dat wij thans in staat zijn, bij vergaderingen en andere bijeenkomsten, voor geleide te zorgen; niemand behoeft meer thuis te blijven. Deze geleidemoeilijkheden waarvan de oplossing voor onze leden van grote waarde is, hebben wij kunnen opheffen door de ons toegezegde en reeds geboden hulp van mevrouw Chaillet en haar medewerksters, de dames van de blindenmiddag. Wetende, namens alle leden van de Haagsche Blindenvereniging te spreken, betuig ik vanaf deze plek aan alle dames onze hartelijke dank.
Aan het einde van dit korte overzicht mogen wij, met tevredenheid constateren, dat 1949 voor de Haagsche Blindenvereniging in meer opzichten, een goed jaar geweest is; mogen er nog vele van zulke jaren voor onze organisatie volgen, waarin bestuur en leden steeds eendrachtig zullen samenwerken, tot heil van de Haagsche Blindenvereniging dienende, het belang van ieder lid in het bijzonder.
Vrienden, het werk wacht, veel is nog te doen, houdt goede moed! Met deze opwekking besluit ik dit jaarverslag, leve de Haagsche Blindenvereniging!

M. de la Vieter, secretaresse.

(Overgeschreven door Klarinne Labooy-Koole.)



terug naar de beginpagina van de Haags(ch)e Blindenvereniging