Verslag 1918-1968

50 jaar blindenbibliotheek
Grave - Nijmegen
1918-1968



gebrailleerd door A.R. Hovingh
Eindhoven

De lectuurvoorziening van blinden en slechtzienden in Nederland.
Beschouwing bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van blindenbibliotheek Le Sage ten Broek Nijmegen


Uit de kronieken van het blindeninstituut Henricus blijkt, dat onmiddellijk na de oprichting te Grave in 1859 het braille-schrift in Nederland werd geïmporteerd, waarmee de basis werd gelegd voor de intellectuele emancipatie van de blinden. De onderwijscongregatie van de fraters van Tilburg die het blindeninstituut te grave vestigde, had al eerder de beste ervaringen opgedaan met het puntenschrift voor blinden in haar blindeninstituut te Maaseik. Vandaar dat ook in Grave het brailleschrift voor het onderwijs aan blinden werd ingevoerd, en met stijgend succes werd gebruikt naast het reliëfdrukschrift, waarmee al vanaf 1575 in Europa werd geëxpirimenteerd.
De kronieken van de Graafse blindeninstituten leren ook, dat de brailledrukkerij, die nu een onderdeel uitmaakt van de thans 50-jarige blindenbibliotheek le sage ten broek, in het jaar 1868 haar activiteiten begonnen is. Aldus doet het merkwaardige feit zich vor, dat een vijftigjarige moeder kan bogen op een honderdjarige dochter.
In feite is het natuurlijk zo, dat de braillebibliotheek die in 1918 officieel werd opgericht als uitleenbibliotheek voor blinden in den lande, al decennia lang bestond als brailleboekerij voor de Graafse blindeninstituten. Deze huisbibliotheek bestond enerzijds uit produkten van de eigen brailledrukkerij, die volgens het eerste jaarverslag 'gebedenboeken en allerlei werken, voor het onderwijs en den kerkzang benodigd' drukte, anderzijds uit ontspanningslectuur, die door thuiswerkers vervaardigd werd. Want de brailledrukkerij kwam niet aan ontspanningslectuur toe, omdat zoals het nog het jaarverslag over 1906 nuchter vaststelt 'alleen boeken met een zekere oplaag zoals schoolboeken de werkzaamheden die het drukken vordert lonen'. Het jaarverslag over 1891 gewaagd dan ook van 'liefdadige personen die zich de moeite hebben getroost het brailleschrift te leeren, om hunne vrije uren eenige letterkundige of wetenschappelijke werken, bij voorkeur echter zulke, die als uitspanningslectuur kunnen dienen, in brailleschrift over te zetten, teneinde hierdoor allengs eene bibliotheek ten gebruike der blinden tot stand te brengen). Met deze 'uitspanningslectuur' ontkwamen de Graafse blinden aan het utiliteitsbeginsel dat overigens in dit subsidieloze tijdperk hoogtij vierde. De directeur van het toenmalige 'Instituut tot Onderwijs van Blinden' te Amsterdam, de heer H.J. Lenderink, schrijft in zijn standaardwerk 'Het blindenwezen in en buiten Nederland' (Amsterdam 1904, pag. 104), dat zijn boekerij in 1892 reeds 60 brailleboeken bevatte, en in 1904 zelfs 1200, maar 'het spreekt vanzelf dat romanlectuur buitengesloten is; geschiedkundige verhalen, schetsen op het gebied der natuur, reisverhalen enz. vormen het voornaamste bestanddeel der verzameling'.
Het is passend even stil te staan bij dit vroegtijdig optreden van thuiswerkers die aan de wieg hebben gestaan van al wat blindenbibliotheek is in Nederland, en die, wat meer betekent, deze wieg gevuld hebben met een arsenaal van naar schatting 150.000 braillebanden, in totaal 35.000 titels. Ook Lenderink spreekt over 'een groot aantal dames in ons land, die met opoffering van tijd en geld onvermoeid zorgen voor nuttige, onderhoudende lectuur'.
En het Graafse jaarverslag over 1899 vermeldt: 'daarbij werken er ten onzent een drietal verenigingen om, én de voor het algemeen bestemde bibliotheek, én de bibliotheken der gestichten, met werken in brailleschrift te verreiken'. Met de 'voor het algemeen bestemde bibliotheek' wordt een particuliere brailleboekerij in Den Haag bedoeld, die rond 1890 voor een ieder werd opengesteld en die, sinds 1894, 'algemene Nederlandse Blindenbibliotheek' genaamd, door een vereniging van thuiswerkers werd uitgebouwd.
De tweede vereniing van thuiswerkende brailleerders was ongetwijfeld de groep medewerkers van het Amsterdamse blindeninstituut aan de Vossiusstraat. Als derde vereniging noemt het Graafse verslag over 1899 de vereniging tot verschaffing van lectuur aan blinden, gevestigd aan de Kloveniersburgwal, 'aan wie onze blinden reeds eenige schoone werken danken, terwijl er nog een groot aantal in bewerking zijn'. Personen die voor dit werk voelen worden naar deze vereniging verwezen, zodat men wel mag concluderen, het particularisme van die dagen kennende, dat de vruchten van deze arbeid ook in Grave genoten werden.
Het laatste argument dat de Graafse brailleboekerij lang voor 1918- het jaar van oprichting van de Le Sage ten Broek Bibliotheek - op een legertje thuiswerkende brailleerders kon rekenen, levert het jaarverslag over 1906. Daarin wordt de aanschaf van een nieuwe Victoriapers bejubeld, die overigens ook nu nog het (gerenommeerde) drukwerk verzorgt, maar een voetnoot waarschuwt, dat die geëerde weldoeners die godsdienstige werken en verhalen in brailleschrift overbrengen nu niet moeten denken dat zulks niet meer nodig is.
Op deze wijze zijn eind vorige eeuw ongeveer gelijktijdig de blindenbibliotheken in Nederland ontstaan uit de verworvenheden - en behoeften - van de blindeninstituten en het particuliere initiatief. Onafhankelijk van elkaar en niet zonder een op het levensbeschouwelijk gebaseerde rivaliteit hebben zij zich ontwikkeld, zodat er in 1934, wanneer het Graafse instituut Henricus 75 jaar bestaat, niet minder dan tien geteld worden, te weten - in hun tenaamstelling van dat moment - de algemene Nederlandse blindenbibliotheek in Den Haag, de brailleafdeling der openbare leeszaal te Amsterdam, de Christelijke Blindenbibliotheek te Ermelo, die te Delft (theosophsch), Rotterdam, Utrecht, Groningen, de joodse Pouky'ach Ivriem Bibliotheek te Amsterdam, en de Le Sage ten Broek Bibliotheek te Grave.
Bij het onstaan van laatst genoemde zullen we uitvoeriger verwijlen, als een hommage aan de werkers van het eerste uur, die de basis hebben gelegd van de bibliotheek die thans te Nijmegen in een functioneel en ruim gebouw is ondergebracht, een der grootste braillebibliotheken ter wereld.

De emancipatie van de Nederlandse blinden


Om goed te kunnen zien om hoeveel potentiële braillelezers het in die aanvangstijd gaat, is het nuttig over deze periode het inwonersbestand van de Graafse instituten eens door te lichten, bijv. van 1886 tot 1896, en tevens is het nuttig vast te stellen, dat de blinden na hun opname doorgaans hun leven lang in het instituut verbleven.
In deze tien jaar werden er in totaal 148 personen opgenomen. Slechts 43 daarvan keerden in de maatschappij terug, en wel 10 vanwege hersteld gezichtsvermogen, en 8 wegens 'algehele onvatbaarheid'. Slechts 25 potentiële braillelezers verlaten dus in deze tien jaar de veilige beschutting van het instituut. Over 8 daarvan zijn geen gegevens bekend, maar 17 vestigen zich als mandenvlechter en borstelmaker, beroepen waarbij het ruwe handwerk het braillelezen bepaald niet gemakkelijk maakt. Er blijven over deze periode van tien jaar, waarin de thuiswerkers de brailledrukkerij te hulp kwamen om een blindenbibliotheek op te bouwen, in de instituten 105 personen over, die in meerdere of mindere mate, afhankelijk ook van hun leeftijd bij de opname, zich de kunst van het braillelezen verworven zullen hebben.
Van 1900 tot 1918 stijgt het aantal blinden te Grave geleidelijk van 100 tot 140, maar ook stijgt het aantal dat als 'gerevalideerden' in de maatschappij terugkeert relatief sterk, zodat de kroniekschrijver in de jaren 1911 tot 1916 telkens gewag maakt van de plannen om de brailleboekerij van het instituut - librije zou men bijna zeggen - uit te bouwen en ook open te stellen voor de blinden, die het instituut na de onderwijsjaren en de vakopleiding zouden verlaten. Deze sociale emancipatie der blinden neemt rond 1915 sterk toe, en wordt wellicht het duidelijkst gemarkeerd door de oprichting van de blindenbonden en de werkplaatsen.

De oprichting


Het doet anno 1968 anekdotisch aan, wat de kronieken als argument uit 1916 voor de oprichting van de bibliotheek memoreren, nl. dat reeds vier oud-leerlingen van Grave door het lezen van ongeschikte lectuur in dwaling waren gebracht, en dat twee van hen het zelfs hadden bestaan organist te worden in een protestantse kerk.
Hoe het ook zij, men kan zich voorstellen, dat men een zo belangrijk geestelijk goed als de lectuurvoorziening graag vanuit een bibliotheek met katholieke signatuur wilde verzorgen. De grote pionier voor dit streven was de toenmalige leider van de braillebibliotheek van het blindeninstituut, frater Adrianus Kemps. In het jaarverslag over 1916 schrijft hij:
'sinds enkele jaren zijn wij begonnen met het tot stand brengen eener katholieke braille-bibliotheek. Eenige dames en heren helpen ons bij dit schoon, maar veel tijd eischend werk. Een driehonderdtal banden zijn reeds gereed. Wij zeggen banden, want zij vormen slechts een luttel getal werken'. ,br> In 1917 gaf frater Adrianus een brochure uit waarin hij zijn plannen ten aanzien van de braille-bibliotheek ontvouwde. Hierdoor geïnspireerd schreef de hoofdredacteur van 'De residentiebode' in Den Haag, de heer S. Bruijsten, op 30 december 1917 een sprankelend artikel, waarin katholiek Nederland werd opgeroepen daadwerkelijke en financiële hulp te bieden aan de Graafse blindenbibliotheek. Deze bibliotheek zou genoemd worden naar de blinde journalist Joachim George Le Sage ten Broek, de 'vader van de katholieke pers', waarvan men juist in 1918 het eeuwfeest herdacht. De macht van deze pers bleek onmiddellijk: Talrijk waren de reacties uit alle gelederen van het katholieke volksdeel, en reeds in het voorjaar van 1918 kon de braillebibliotheek van de Graafse instituten officieel als 'Le Sage ten Broek bibliotheek' worden opengesteld voor alle blinden van alle gezindten in heel Nederland. Tevens werd een brailletijdschrift 'de godsdienstvriend' uitgegeven, genoemd naar het gelijknamige blad van Le Sage, maandschrift voor godsdienstige, sociale en wetenschappelijke ontwikkeling.

Vereniging Le Sage ten Broek


Om hiervoor de nodige fondsen bijeen te brengen werd op 15 april 1918 opgericht de steunvereniging 'Le Sage ten Broek' te 's Gravenhage. Er werd een actiecommité opgericht onder leiding van enkele vooraanstaande dames in de residentie, en in het jaarverslag over 1918 kon frater Adrianus melden, dat overal in het land comités werden gevormd van werkende leden die boeken in brailleschrift kopieerden en van donateurs om dit werk financieel mogelijk te maken.
In deze na-oorligse jaren heeft veelvuldig en zorgelijk overleg plaats gevonden tussen frater Adrianus en het bestuur van de vereniging, hoe de plannen gerealiseerd konden worden. Feit is, dat sindsdien de bibliotheek onder directie van de fraters van Tilburg met steun van de vereniging onder leiding van enkele Haagse prominenten zoals mevrouw F. Thijsen-Nieuwerkerk, haar dochter Constance Thijsen en mejuffrouw Jaqueline Weve, zich steeds over groei en bloei heeft mogen verheugen, hetgeen thans een hoogtepunt vindt in de nieuwbouw die te Nijmegen in gebruik is genomen. Maar in deze ontwikkeling zijn vooreerst enkele mijlpalen aan te wijzen, die dikwijls slechts ten koste van grote offers en inspanning bereikt konden worden.

Mijlpalen


Zo kon in 1930, het overlijdensjaar van directeur Adrianus Kemps, te Grave onder directie van frater Joseph Reijnders een ruime, brandvrije bibliotheekzaal worden betrokken, waarvan de bouwkosten grotendeels door de steunvereniging gedragen werden. Het getuigt van de vooruitziende blik van de bouwheren, dat deze bibliotheek zo werd geconstrueerd, dat er later (in 1950 tijdens het directeurschap van frater Ludwinus Kleiberg) twee verdiepingen, geschikt voor het gewicht van tonnen braillebanden, bovenop gebouwd konden worden. Dat was hard nodig, want het aantal braillebanden was in 1950 uitgegroeid tot 40.000, waarvan een gedeelte in een houten barak was opgeborgen.
Het aantal uitleningen beliep in dat jaar 10.000 banden, het aantal lezers 500.
Een andere mijlpaal was zeker het jaar 1955, toen door de rijksoverheid aan de blindenbibliotheken een subsidie werd toegekend van 60% over de goedgekeurde exploitatielasten. Alle investeringen en de overige exploitatielasten bleven voor eigen rekening. Deze gelden moesten dus door de steunvereniging en door de congregatie worden aangevuld.
In 1955 was men in Grave op initatief van directeur frater Faustinus Schlappi juist begonnen met het experimenteren op het gebied van gesproken lectuur, nl. om via de geluidsband de 70% van de Nederlandse blinden die het brailleschrift niet beheersen toch van lectuur te kunnen voorzien.
Reeds op 11 augustus 1955 werd door Grave het eerste gesproken boek uitgeleend aan de heer H. van der Voort te 's Gravenhage, nl. het boek 'de oude man en de zee' van Hemingway.
Men mag wel aannemen dat zonder het rijkssubsidie dit nieuwe medium niet zo tot ontwikkeling zou zijn gekomen als nu het geval is geweest. Maar alvorens hier verder op in te gaan lijkt het dienstig de huidige stand van zaken bij de braillebibliotheken te bezien.

Braille-afdeling


Van de tien braillebibliotheken uit 1934 zijn er thans nog vier over, te weten: die in Den Haag, Amsterdam en Ermelo, alsmede de thans jubilerende Le Sage ten Broek Bibliotheek te Nijmegen. Het jaarverslag van laatstgenoemde bibliotheek over 1967 leert, dat de 'luttele werken' uit 1916 intussen zijn uitgegroeid tot 17.500 titels, samen 80.000 braillebanden. Ter vergelijking: Den Haag, Amsterdam en Ermelo tellen respectievelijk 6500, 5500 en 3000 titels. De ca. 2000 braillelezers die Nederland telt beschikken dus over een collectie van 32.500 titels, d.i. gemiddeld 16 titels per lezer. Als men nu weet dat men in het bibliotheekwezen op 3 tot 10 boeken per lezer rekent, dan ziet men dat de lectuurvoorziening voor blinden ver boven de maximale norm uitstijgt. Dat is een gelukkige situatie, omdat de behoefte aan lectuur bij visueel gehandicapten nu eenmaal veel groter is dan bij zienden. In 1967 werden door de blinden in Nederland meer dan 130.000 braillebanden geleend, waarvan 68.000 bij de Le Sage ten Broek Bibliotheek.
Van het surplus aan boeken profiteerden weer blinden in landen, waar op dit gebied geen of onvoldoende voorzieningen zijn. Zo werden in 1967 vanuit Nijmegen duizenden banden verzonden naar België, Indonesië en nog een tiental andere landen. Even is men bang geweest dat het braille-lezen zou teruglopen toen de lectuur op de geluidsband haar intrede deed, maar uit de statistiek blijkt wel dat er eerder sprake is van een stijging. Daar zijn twee oorzaken voor aan te wijzen: Enerzijds brengt het stijgend ontwikkelingspeil van de jeugdblinden met zich mee, dat meer studieboeken en literaire romans worden gevraagd. Anderzijds heeft de gesproken lectuur meer belangstelling gewekt voor het boek in het algemeen. En aangezien het beluisteren van gesproken boeken toch altijd een vrij passieve zaak is, waarbij men de interpretatie en het tempo van de voorlezer voor lief moet nemen, gingen de blinden die het braille lezen meester waren toch weer terug naar het brailleboek. Intussen is de lectuurvoorziening via de geluidsband voor blinden die geen braille kennen een prachtige uitkomst, een nieuwe mogelijkheid tot ontwikkeling en ontspanning.
Daarnaast is er een sterk groeiende groep niet-blinde gebruikers van gesproken lectuur, andere gehandicapten voor wie lezen bezwaarlijk is, of zieken die zich hier tijdelijk mee behelpen. Men zou deze ontwikkeling kunnen vergelijken met de schrijfmachine, die juist door het gebruik op het blindeninstituut zodanig is gepopulariseerd, dat thans iedereen er weg mee weet.

Gesproken lectuur


In Amerika werd in de dertiger jaren al druk gebruik gemaakt van de grammofoonplaat om lectuur voor blinden toegankelijk te maken. Voor ons kleine taalgebied was dat een te kostbare zaak, maar reeds in het jaarverslag van Le Sage ten Broek over 1937 wordt gesproken over een goedkopere mogelijkheid om 'het sprekende boek' zoals men toen zei in Nederland te introduceren, nl. door middel van de draad- of bandrecorder. In de Tweede Wereloorlog werd de 'wire-recorder' bij de militaire verbindingen verder geperfectioneerd - waarbij men onwillekeurig denkt aan het ontstaan van het braille-schrift, oorspronkelijk een militaire code van Franse artilerie - en op het blindencongres in 1948 hield directeur Ludwinus Klijberg van Grave een referaat 'regeling en uitbouw van het bibliotheekwezen' waarin hij stelt: 'dat we ten volle overtuigd zijn van de grote waarde van het gesproken boek … juist voor hen die op latere leeftijd blind zijn geworden'. In het jaarverslag over het jaar 1949 wordt de werkwijze van de electromagnetische geluidsweergave uitvoerig uit de doeken geddaan en wordt verteld, dat het gesproken boek dat op een recorder van Nederlands fabrikaat reeds wordt gedemonstreerd.
Intussen weten we, dat Grave in 1955 de eerste uitlening van gesproken lectuur noteerde. In 1956 werd reeds een goed geoutilleerde studio in Grave geopend, en bij de viering van het eerste lustrum in 1961 kon een catalogus met meer dan 1000 titels aan de luisteraars worden aangeboden.
Thans heeft elke blindenbibliotheek enkele studio's in bedrijf, waar de tekst via semi-professionele apparatuur correct en zonder bijgeluiden op de band wordt gelezen door vrijwilligers, die uiteraard een goede voordracht en uitspraak moeten hebben. Om voldoende voorlezers te kunnen recruteren, is het noodzakelijk dat een decentralisatie van studio's plaats vindt. Zo werkt de Le Sage ten Broek Bibliotheek, behalve in twee nieuwe professionele studio's te Nijmegen, nog in twee dépendancestudio's te Nijmegen, resp. van 1958 en 1967, in Breda (sinds 1964, voor studiewerk), in Eindhoven (1965), in Tilburg (1966) en Arnhem (1957, uitsluitend Esperanto). Bovendien wordt gewerkt met de toneelaccademies van Arnhem en Maastricht en met avro-minjon studiootjes (Enschede en Vught). Een nieuwe dépendance-studio wordt binnenkort in gebruik genomen in stichting Het Dorp te Arnhem, waarbij de gehandicapten van Het Dorp de opname-apparatuur zullen bedienen. In de Technische Hogeschool te Eindhoven wordt eveneens een nieuwe studio in gebruik gesteld. Terwijl een studio in de Technische Hogeschool te Enschede in voorbereiding is.

Rapport Boiten


De bibliotheek laat zich bij de planning van deze investeringen o.m. leiden door de prognoses van het in 1964 opgestelde rapport Boiten, zijnde het verslag van de departementale technische commissie voor gesproken lectuur. Het rapport berekent dat, als men het toenemend aantal slechtzienden onder de bejaarden en andere gehandicapten die geen boek kunnen hanteren in aanmerking neemt, er in 1975 in ons land 50.000 gegadigden voor lectuur op de geluisband zullen zijn. Aldus zal het werkterrein van de blindenbibliotheken aanzienlijk breder worden, een ontwikkeling die gezien de uitleenstatistieken reeds in volle gang is.
Om voor deze tienduizenden gegaardigden minimaal 3 titels per lezer beschikbaar te hebben, zal men een streeffgetal van 150.000 titels voor ogen moeten houden. Het rapport berekent, dat de jaarlijkse aanwas in 1975 tenminste 15.000 titels zou moeten bedragen.
Thans beschikken de blindenbibliotheken gezamenlijk na tien jaar hard werken nog maar over 7500 titels.
Toch werden er in 1967 door de Le Sage ten Broek Bibliotheek in Nederland 200.000 geluidsbanden uitgeleend, en nog eens 20.500 in 19 andere landen, voornaamelijk Espiranto-boeken, waaruit wel blijkt dat de bibliotheek ook internationaal van betekenis is.
Deze cijfers die wel boekdelen spreken waren alleen mogelijk, doordat van elk boek een aantal copieën wordt vervaardigd op speciale apparaten. Met inbegrrip van deze copieën heeft de Le Sage ten Broek Bibliotheek een arsenaal van 40.000 geluidsbanden beschikbaar, die voortdurend in roulatie zijn.
Intussen blijft het feit bestaan, dat de keuzemogelijkheid gering is, zodat de blindenbibliotheken zich tot het uiterste moeten inspannen om het aantal titels te vergroten.

Onderzoek lectuurbehoefte


Men zal zich afvragen welke boeken nu in feite, hetzij in braille, hetzij via de geluidsband, beschikbaar komen. De Le Sage ten Broek Bibliotheek stelt zich op het standpunt, dat men de blinden tenminste dezelfde lectuur moet kunnen bieden die een grote openbare leeszaal voor zienden beschikbaar stelt. Dit in tegenstelling tot elders waar men nog wel de neiging heeft de blinden de z.g. realistische lectuur te onthouden. De aanwinstenlijsten van openbare leeszalen zoals Den Haag, Nijmegen, Enschede en Velzen, alsook die van de provinciale bibliotheekcentrales, bieden dan ook goede richtlijnen, terwijl ook de gebruikelijke lectuur-voorlichtingssystemen worden gehanteerd.
Op de braille-afdeling nemen de studiewerken, zowel op middelbaar als op universitair niveau, natuurlijk een belangrijke plaats in. Het brailleren van deze boeken is alleen mogelijk dankzij de hulp van intellectuelen of gehandicapten, die dit werk verrichten in het kader van de sociale werkvoorziening. Ook vindt men op de braille-afdeling de betere literaire roman, ontwikkelingslectuur en reisverhalen, omdat de ervaring heeft uitgewezen dat de blinde lezer bij deze genres de voorkeur geeft aan braille. Voor de lichte ontspanningslectuur kiest men liever de gesproken vorm. Op deze wijze worden beide media naast elkaar gebruikt.
In 1965 werd door de Le Sage ten Broek Bibliotheek een enquête gehouden onder de luisteraars van gesproken boeken. Daaruit bleek, dat slechts 13% ontwikkelingslectuur op de geluidsband wenst; 87% vraagt om romans, met een duidelijke voorkeur voor familieromans, historische en humoristische romans of streekkromans. Van deze gegevens, aangevuld met recente peilingen, wordt bij de aanschaf en bij het bepalen van het aantal copieën dankbaar gebruik gemaakt.
De aanwinsten van beide afdelingen worden vermeld in aanwinstenlijsten op de catologi in braille of zwartdruk. Bovendien worden de niewe boeken besproken in een door de bibliotheek uitgegeven gesproken periodiek, 'rondom het boek' geheten, waarin ook klankbeelden, interviews met schrijvers en bibliotheeknieuwtjes worden gebracht.

Samenwerking en organisatie


De blindenbibliotheken in Nederland werken voortreffelijk samen sinds de overkoepelende stichting Het Nederlandse Blindenwezen in 1955 een bibliotheekcommissie in het leven riep, die te Amsterdam een centrale catalogus instelde, en een uitwisselingsprogramma voor gesproken boeken opzette om doublures te voorkomen. Elke bibliotheek meldt aan haar zusterinstellingen welke boeken in een studio in produktie worden genomen, zodat men bij elkaar copieën kan bestellen.
Het ligt in de lijn der verwachting, dat in de nabije toekomst ook voor de produktie van brailleboeken een soorttgelijke uitwisseling zal ontstaan. De brailledrukkerijen vervaardigen nog altijd alleen grote oplagen, zoals periodieken en schoolboeken. Voor de productie van de roman werkt elke bibliotheek nog individueel: men vervaardigt met de hand of met de braille-schrijfmachine éénn exemplaar. Maar sinds kort komt ook hier de techniek te hulp. Er is een - zeer kostbare - electrische brailleschrijfmachine uitgebracht om de produktie van het enkelvoudige exemplaar te versnellen. Ook benut men reeds een ponsbandensysteem, waarbij met behulp van een computer meerdere electrische brailleschrijfmachines tegelijk worden bediend.
In Nijmegen benut men de vacuümvormmachine waarmee normaliter landkaarten in reliëf onder vacuüm worden diepgetrokken in plasticfolie, om snel een brailleboek te copiëren, waar met name studerenden mee gebaat zijn. Kortom, men spant zich van alle kanten in om ook in deze tot een meer ecomonische en efficiënte werkwijze te komen.
De samenwerking heeft haar meest efficiënte vorm bereikt waar het gaat om de produktie van studieboeken. In 1965 werd door de blindenbibliotheken, tezamen met het accademisch genootschap voor blinden 'Petrnella Moens' en het Nederlans studentensanatorium in het leven geroepen de stichting Coördinatie-centrum Studielectuur voor Blinden. Deze stichting heeft een gezamenlijk bureau te Amsterdam, waar in samenwerking met de centrale catalogus de aanmaak van studielectuur wordt geregistreerd en gecoördineerd. Dit bureau begeleidt momenteel, in samenspel met de bibliotheken, de univesitaire studie van een twintigtal blinden, terwijl het ook de 'nazorg' heeft voor de vakliteratuur van de afgestudeerden.
Sedert 1964 is de Le Sage ten Broek Bibliotheek ook aangesloten bij de Centrale Vereniging voor Openbare Bibliotheken te 's Gravenhage, bij het Katholiek Bibliotheek- en Informatiecentrum te Utrecht en als gastlid bij de Arbeitsgemeinschaft Deutscher Blindenhörbüchereien, terwijl in 1963 een advies-commissie van bibliotheekdeskundigen werd geformeerd.

Landelijk werkterrein


Anders dan b.v. in Duitsland waar het werkterrein van de diverse blindenbibliotheken regionaal is afgebakend, heeft elk van de vier blindenbibliotheken in Nederland een landelijk werkterrein, juist omdat onze bevolking zo bijzonder gemêleerd is. Gezien de prognoses voor de toekomst, vooral ten aanzien van het gesproken boek, is het een gelukkige omstandigheid, dat deze lectuurvoorziening niet door één instelling ondernomen hoeft te worden. De historisch gegroeide verzuiling heeft haar scherpe kanten verloren en levert in harmonische samenwerking een practische taakverdeling op, waarbij elke blindenbibiotheek met behoud van haar eigen karakter haar eigen lezerspubliek blijft bedienen. De gezonde rivaliteit tussen de verschillende bibliotheken waarborgt een vortdurende waakzaamheid op de mogelijkheden en wenselijkheden terwijl ook van een zekere specialisatie sprake is. Bij de confessionele gerichte instellingen ligt deze specialiaatie op het specifiek godsdienstige terrein; de Amsterdamse bibliotheek heeft een uitgebreide braille-muziek-collectie, terwijl de Haagse zich toelegt op het uitgeven van een aantal gesproken periodieken.
Ook van katholieke zijde ontbreken de periodieken op de geluidsband niet, maar deze worden verzorgd door een afzonderlijke instelling, Het Gesproken Weekblad De Band te Grave. De eerste afleveringen van dit weekblad werden in 1957 met technische hulp van de Le Sage ten Broek Bibliotheek samengesteld, maar nog in datzelfde jaar werd 'de band' een aparte stichting, met eigen studio's en met een sterk groeiende outillage om snel een groot aantal copieën te kunnen vervaardigen. Momentteel zijn er ruim 850 abonnees op het weekblad, 250 op het in 1961 opgerichte wetenschappelijke maandblad 'De Toets', 200 op het populair-wetenschappelijke 'De Spoel' (1963). Terwijl ook het blad van de R.K. Blindenbond, de A.o-reeks en het periodiek 'met en rondom de bijel' vervaardigd worden.

Electronische leesapparatuur


Met het boekenbestand en de uitrusting van de Le Sage ten Broek Bibliotheek te Nijmegen anno 1968 is op grootse wijze aan de wens van frater Adrianus Kemps voldaan, en is tevens voldaan aan de opdracht die het katholieke volksdeel zich vanaf 1918 heeft gesteld: Men heeft er voor gezorgd dat voor de Nederlandse blinden en slechtzienden een lectuurvoorziening is opgebouwd die de toets der kritiek kan doorstaan.
De hoge exploitatielasten van de nieuwbouw te Nijmegen brengen grote zorgen met zich mee. En zoals bij het prille begin in 1918 heeft ook nu weer een zakelijk overleg plaats tussen de congregatie van fraters en de vereniging Le Sage ten Broek, hoe deze lasten gedragen kunnen worden. Begin 1967 werd, vooruitlopend op een nieuwe stichting, een dagelijks bestuur gevormd bestaande uit twee leden van beide partijen, om dit culturele erfgoed te beheren en uit te bouwen volgens de eisen van deze tijd. Het laat zich aanzien, dat op het gebied van deze lectuurvoorziening grote technische veranderingen op komst zijn, die wederom hoge investeringen zullen eisen. Op korte termijn is te verwachten het invoeren van het casettesysteem voor gesproken boeken, wat voor bediening en verzending bijzondere voordelen biedt. Ingrijpender zal zijn de ontwikkeling op het gebied van electronica. In Amerika wordt momenteel druk geëxperimenteerd met leesmachines, die een gedrukte pagina in geluid 'vertalen'. Aan de universiteit van Virginia werken onderzoekers aan apparatuur, die een pagina met electronische ogen aftast, de gedrukte letters herkent, en deze naar verkiezing omzet in brailletekens of in gesproken woord.
In het Mauch labaratorium in Dayton, Ohio, wordt een apparaatje ontwikkeld, de zg, visotonor, dat de boekenpagina aftast en de tekst in geluid weergeeft, of de visotactor, die de woorden in gevoelsimpulsen weergeeft. Dat men in Nederland deze ontwikkeling op de voet volgt en op soortgelijke wijze research verricht is vanzelfsprekend.
Hoe de techniek zich ook ontwikkelt, vast staat dat de inzet van een groot aantal goedwillenden noodzakelijk zal blijven om financieel en practisch mogelijk te maken, dat de blindenbibliotheken hun taak naar behoren kunnen blijven vervullen, adequaat aan de snelle veranderingen in dit tijdsbestek. Als we noemen het streven naar grotere zelfstandigheid en verantwoordelijkheid in alle samenlevingsverbanden, het snelle ritme van de massacommunicatiemiddelen, het vrijetijdsbestel, de huidige snelle veroudering van kennis als elementen, die de informatieve, documenterende en recreatieve taak van het bibliotheekwerk als geheel bepalen, dan zal het duidelijk zijn, dat er voor het blindenbibliotheekwerk een extra krachtsinspanning noodzakelijk is, waarbij de overheidssteun en het particuliere initiatief elkaars stimulerende, onmisbare en welwillende componenten zijn. Op deze wijze zal de thans jubilerende Le Sage ten Broek Bibliotheek, tezamen met haar zusterinstellingen, een positieve bijdrage kunnen leveren aan de educatieve en recreatieve ontwikkeling van de gehandicapte medemens.

Bijlage: Toename van de uitleen van gesproken boeken bij de Le Sage ten Broek Bbibliotheek van 1957 tot 1967


Jaartal - Aantal geluidsbanden
1957: - 6.000
1958 - 28.000
1959 - 51.000
1960 - 77.000
1961 - 29.000 (het sstaat er echt - red.)
1962 - 106.000
1963 - 123.000
1964 - 143.000
1965 - 159.000
1966 - 166.000
1967 - 201.000

Bijlage: Toename aantal braillebanden van de Le Sage ten Broek Bibliotheek van 1918 tot 1968


Jaartal - Aantal braillebanden 1927 - 2.000
1928 - 10.000
1938 - 22.500
1948 - 36.000
1958 - 53.000
1968 - 80.000

(De brailletekst is overgetikt door Bianca Stokkingreef en Yvonne Zuidema.)



naar de beginpagina van verslagen van de Graafse blindeninstituten
naar de beginpagina van documenten
naar de beginpagina van de collectie
naar leer- en hulpmiddelen
naar interviews
naar de beginpagina van de website