Jaarverslag 1910

Vier en twintigste jaarverslag van de graafse blindeninstituten over het jaar 1910


ons nieuw materiaal voor het afdrukken van brailleschrift
gebrailleerd door de heer h. ruys
eindhoven

ons nieuw materiaal voor het drukken van brailleschrift


Wij noemen het ons nieuw drukmateriaal en dat mogen wij zeggen, omdat het een geheel nieuwe vinding betreft, die nog nergens gekend en gebezigd wordt. Het stelsel heeft op de elders gebruikte aanmerkelijke voordelen, die wij hierachter te geschikter plaatse zullen bespreken en waarvan de omstandigheid, dat de blinden zelf er nagenoeg geheel zelfstandig, d.i. zonder hulp van zienden mee kunnen werken, zeker een der merkwaardigste is.
Om het begrip onzer beschrijving te vergemakkelijken achten wij het nodig een korte uiteenzetting van het braille- of puntschrift der blinden te laten voorafgaan. Een meer uitvoerige uiteenzetting van het voor de blinden geëigende reliëfschrift in het algemeen en van het puntschrift in het bijzonder, boden wij onzen geëerden weldoeners in het 20ste jaarverslag op bladz. 25 en volgende. Wij menen ons daarom thans tot het noodzakelijke te mogen beperken.
Charles Barbier, gep. Fransch artillerie-officier, is de uitvinder van het puntschrift. Zijn systeem bestaat in grondtype d.i. type waarin het gehele systeem besloten is, uit 12 punten, in twee rijen van 6 punten naast elkaar geplaatst. Uit de teekens, die daaruit kunnen gevormd worden, ontwierp hij een alphabet met punctatie, benevens teekens voor sommige samenklanken en de meest gebruikte voor- en achtervoegsels. Het systeem werd ingevoerd in het Parijse instituut, waar de blinden wel in het idee vielen, letters uit punten gevormd, maar niet in het stelsel, zoals het door Barbier was in elkaar gezet. Zij vonden het te ingewikkeld en onpractisch. Ieder begon het nu op zijn manier te vereenvoudigen. Het gevolg was, dat er bijna door ieder leerling een eigen systeem op werd nagehouden, waardoor een grote verwarring ontstond. Louis Braille, een nog jeugdig blind leraar, verbonden aan het instituut, begreep, dat het zóó niet kon blijven. Hij zelf nam nu een vereenvoudiging van Barbiers systeem onder handen. Inziende, dat wilde hij zijn doel bereiken en iets tot stand brengen, dat tot heil zijner lotgenoten verstrekte, hij dan de vereenvoudiging tot het uiterste moest brengen, begon hij met de grondtype van Barbier, die uit 12 punten bestond, terug te brengen tot 6. Hij plaatste deze 6 punten in twee rijen ieder van 3 punten naast elkander. Uit de teekens, in deze grondtype vervat, ontwierp Braille met bewonderenswaardige scherpzinnigheid niet alleen een alphabet met punctatie, geschikt voor alle talen, maar ook teekens voor het schrijven van cijfers met cijferteekens en alle, die gevorderd worden voor het schrijven van muziek. En zoo keurig is het systeem, door hem in elkaar gezet, dat het werkelijk alle vereenvoudiging onmogelijk maakt. Van lieverlede heeft het alle andere systemen, die gebruikt werden, verdrongen en zich om zoo te zeggen de wereldheerschappij verworven. Het beste bewijs voor 't geen wij zeggen is zeker, dat het in den loop eener eeuw geen noemenswaardige verandering heeft ondergaan. Braille begon met uit de vier bovenste punten van het zestal der grondtype, 10 teekens voor de eerste 10 letters van het alphabet te vormen. Hij verkreeg hierdoor dus de letters van de a tot en met de j. Voor het volgende 10-tal letters nam hij dezelfde teekens nog eens, maar met bijvoeging van het linker onderpunt. Hiermee kwam hij tot en met de letter t. Door nogmaals dezelfde 10 teekens te nemen met bijvoeging van de beide onderpunten verkreeg hij weer een 10-tal nieuwe teekens. Hiermede had hij het alphabet geheel klaar en nog een vijftal teekens over voor letters met teekens. Nog een nieuw 10-tal teekens leverden de eerste tien, door bijvoeging van het rechter onderpunt. Hiermede waren er de nog verder nodige letters met teekens. Tot deze serie behoort ook de letter w, die op onderstaande gravure op hare plaats in het braille-systeem, als eene niet tot het fransch alphabet behorende letter, het 40ste teeken vormt. De interpunctie teekens worden ook weer door de 10 eerste teekens gevormd. Nu zijn ze evenwel niet van de 4 bovenste, maar wel van de 4 onderste punten van de grondtype gemaakt. Zij staan dus ten opzichte der letters een weinig lager en zijn daardoor goed van deze te onderkennen. We hebben nu al 50 verschillende teekens, gevormd uit het zestal punten van de grondtype. Er zijn bij de besproken 50 teekens, meerdere die nog van andere punten van de grondtype kunnen gemaakt worden, dan zij bij de besproken teekens gemaakt zijn. Zoo kan b.v. het punt, dat de letter a vormt van ieder der zes punten die de grondtype heeft, worden gebruikt en dus 6 teekens geven. De twee punten, die de letter b vormen kunnen viermaal, telkens in anderen stand gebruikt worden en geven dus vier teekens en zoo is het ook met de punten der letter c die driemaal, der letters k en l, die tweemaal van stand kunnen veranderen en daardoor telkens een ander teeken vormen. Behalve de genoemde kunnen buiten de seriën om, nog enkele andere teekens uit de grondtypen worden samengesteld, zodat er in het geheel 63 teekens uit de grondtype te vormen zijn. De toepassing van het systeem voor cijfers en cijferteekens hebben wij uiteengezet in ons opstel over het rekenen. Op onderstaande gravure komen overigens ook de cijfers en algebraische teekens voor. Men ziet daar, dat de tien teekens, die de eerste letters van het alphabet vormen ook gekozen zijn voor de cijfers. Om verwarring bij het lezen te voorkomen wordt, zoo ze als cijfers bedoeld zijn, het cijferteken (punt 3,4,5,6) er voor geplaatst. Men schrijft dus: (De voorbeelden kunnen hier niet worden getoond – reed.)
De toepassing van het systeem voor het schrijven van muziek hebben wij reeds besproken in ons opstel over dit onderwerp, dat te vinden is in het 13de en 14de jaarverslag. Dit hier eenigszins voldoende uiteen te zetten, zou het opstel te groote uitgebreidheid geven. Wij bepalen er ons dus toe, hier alleen te zeggen, dat voor de 7 muzieknoten genomen zijn de teekens, die de letters d, e, f, g, h, i en j vormen. Deze teekens geven dan de noten in achtsten. Door er het rechter onderpunt bij te voegen worden het kwartnoten; door het linker onderpunt er bij te voegen, halve noten, en door er de beide onderpunten bij te voegen hele noten. Zestienden, twee en dertigsten en vier en zestigsten worden geschreven als heele noten, halve noten en kwarten, de indeeling in maten voorkomt, dat dit verwarring of onduidelijkheid veroorzaakt. Het systeem bevat verder ook teekens tot aanduiding der octaven, waarin de noten bedoeld zijn voor nuancering en voordracht, voor versiering en afkortingen, voor vingerzetting enz. In één woord voor alles, wat ook in het noten- en muzieksysteem der zienden voorkomt. Alles is stelselmatig, ordelijk en praktisch in elkaar gezet, zoodat de blinden in het braille systeem, dat is: in de 6 teekens, die het omvat, alles bezitten, wat wij, zienden, in ons groot getal letters, cijfers en muziekteekens hebben.
Het brailleschrift wordt op drie wijzen geschreven (geprikt zeggen de blinden) en gedrukt, en wel: 1 enkelzijdig, 2 dubbelzijdig tusschenlinie en 3 dubbelzijdig tusschenpunt. Aanvankelijk en gedurende vele jaren werd het brailleschrift alleen enkelzijdig geschreven en gedrukt. Drukken en schrijven (de blinden zeggen prikken) geschiedt wel verschillend, maar komt toch in hoofdzaak overeen; want, men perst aan de ééne zijde de punten zoo sterk in het papier dat aan de keerzijde een voelbaar relief ontstaat. Het blad papier bevat dus aan eene zijde alleen positief- en aan de anderen zijde alleen negatief schrift. (Voetnoot: Positief schrift noemen wij de voelbare punten en negatief schrift de kuiltjes welke de punten aan de keerzijde van het papier vormen. Einde voetnoot.) Wijl het positieve maar alleen kan gevoeld en dus ook gelezen worden, hebben de blinden in de enkelzijdig geschreven boeken niet gelijk wij, zienden twee bladzijden schrift op een blad, maar slechts eene. Daar nu het brailleschrift berekend is voor lezen op het gevoel, beslaat het vel meer plaats dan ons voor het lezen door het gezicht berekend schrift. Iedere braille-letter of teeken eischt, letter en regelafstand inbegrepen +-1 x 3/4 vierkante cm. plaats. De inhoud der boeken, ofschoon zij bij de gewone boeken der zienden vergeleken, buitengewoon groot van formaat en dikte zijn, hebben daardoor betrekkelijk zeer weinig inhoud. Meenende, dat het niet anders kon, berustte men aanvankelijk hierin. Bij de hoogere vlucht die het blindenonderwijs in de laatste halve eeuw heeft genomen en die zonder twijfel voor een goed deel te danken is aan de algemeene invoering van het braille-systeem, kwam ook het verlangen naar vergroting van den inhoud der boeken. De ernstige bestudeering en onderlinge bespreking van dit onderwerp op de congressen voor blindenleeraars, gaf daarvoor twee middelen aan de hand, en wel: 1 systematische afkorting der woorden en 2 meer in elkaar dringen van het schrift zelf. Beide zijn er gekomen. In ieder land bestaat heden ten dage eene volgens vaste regels verkorte spelling der woorden en schrijft en drukt men de boeken volgens methoden, die alle ruimte van het papier benutten.
De eerste verbetering bracht met betrekking tot het laatstgenoemde de tusschen-liniedrukmethode. Bij deze methode schrijft en drukt men zóó, dat iedere regel positief schrift met een regel negatief op de bladzijde afwisselt. Tusschen twee regels positief schrift staat dus een regel negatief, die ze van elkander scheidt. Zoo als men begrijpt, wordt die regel negatief schrift een regel positief aan de andere zijde van het blad. De ruimte, die bij het enkelzijdig systeem tussschen de regels voor afscheiding moet vrijblijven, valt daardoor dus weg. Het blad tusschen linie-schrift heeft aan beide zijden positief en negatief schrift, regel om regel afwisselend, en de ruimte, die de regels van elkander scheidt is veel royaler dan bij het pmmenkelzijdigschrift zonder dat zij eenig verlies van papier veroorzaakt. Daarbij is de inhoud der boeken 1/3 grooter dan die, welke enkelzijdig zijn gedrukt. Men was dus een grooten stap vooruit gekomen, maar geheel tevreden was men nog niet. Dit zou men eerst wezen als de inhoud der boeken zoo groot mogelijk was. Naar dit doel streefde men en het werd bereikt met het tusschenpuntschrift.
Beschouwt men de brailleteekens der hiervoor staande gravure, dan ziet men, dat er tusschen de punten, die een letter of teeken vormen, ruimte is voor punten aan de keerzijde. Hiervan is gebruik gemaakt bij het tusschenpuntschrifft. Men schrijft of drukt dus tusschen de punten der eene zijde van het papier in, punten voor de keerzijde. Vandaar dan ook de naam tusschenpuntschrift. De boeken, volgens deze methode gedrukt hebben juist 50% meer inhoud dan de enkelzijdig gedrukte en ruim 33% meer dan de boeken met tusschenlinieschrift.
Keeren wij nu terug tot ons onderwerp.
Ons nieuw zetmateriaal is geschikt voor alle 3 de methode's. Men kan er met enkelzijdig, dubbelzijdig-tusschenlinie en dubbelzijdig tusschenpuntschrift mee drukken. tot heden werd het tusschenpuntschrift gedrukt of met stereotypplaten of met heele typen, d.i. typen uit één stuk. Deze laatste zijn typen welke een positief brailleteeken bevatten en in verband met de punten van dit teeken en er tusschen in, de zes kuiltjes, waarin de punten van ieder brailleteeken, dat voor de keerzijde verlangd wordt, kunnen afdrukken. Zowel het drukken met stereotypplaten, als met geheele typen heeft zijne voordelen en bezwaren. Het terstond in het oog springend voordeel, dat de stereotypplaten hebben, is, dat men de platen kan bewaren en te allen tijde nieuwe exemplaren er mee kan drukken. Tegen dit ééne zeer aanzienlijk voordeel staan evenwel meerdere zeer groote bezwaren. Vooreerst vordert het maken der platen een dure machine, alleen voor dit doel geschikt. Men heeft dus voor het drukken ook nog eene drukpers nodig. Een ander bezwaar van meer gewicht ontspruit uit de moeilijkheden, die de corectie oplevert. Waar het alleen geldt het verwijderen of bijvoegen van een punt, ondervindt men geen moeilijkheden maar het weglaten van een letter of woord is altijd hoogst moeilijk en in de meeste gevallen zelfs onmogelijk te corregeeren. Er zit dan niets op, dan de fout te laten staan, of met het verlies der platen ook den arbeid van het typeeren op te offeren door opnieuw te beginnen. Het grootste bezwaar ontstaat uit de groote uitgave, die ieder te drukken boek vereischt. Voor ieder te drukken blad zijn twee platen zwaar blik en een stel scharniertjes noodig, dus voor een boek van 100 bladen 200 platen blik en 100 stel scharniertjes. Rekent men de uitgave per blad op twintig cent, dan komt de uitgave voor platen en scharniertjes voor zulk boek op F20. 't Is duidelijk, dat zulke extra-uitgave op ieder boek veel te hoog loopt. Zulks blijkt nog duidelijker als men in aanmerking neemt, dat onze gestichten, als zijnde de eenige katholieke van het land geheel op zich zelf staan, zoodat wij bijna alleen boeken voor eigen gebruik kunnen drukken en eene oplage van 12 tot 14 exemplaren in den regel voldoende is. Het drukken met tyypen uit één stuk heeft alleen dit vóór, dat het zetten vlugger kan geschieden. Dit voordeel komt evenwel alleen tot zijn recht, als het zetten door ziende vakmannen geschiedt. Gelijk wij hiervoor zegden, heeft het braille-systeem 63 teekens, die dus ook een gelijk getal typen vorderen. Tot berging ervan, heeft men een zetkast noodig met 63 vakken. Dat een blinde, die alleen op den tast moet werken, nooit met eenige vaardigheid uit eene zetkast met zulk groot getal vakken kan leeren zetten, of daarin kan distribueeren, is gemakkelijk te begrijpen. In de gestichten, waar men dan ook met heele typen drukt, zijn altijd een of meer ziende vakmannen met het zetten en drukken der brailleboeken belast. Hierdoor wordt het drukken met heele typen nog duurder, dan met stereotype platen. Ons nieuw materiaal heeft de hoedanigheid, dat het van alle bezwaren, der beschreven drukmethodes eigen, vrij is. Zetten, corrigeeren, distribueeren en verder alle werkzaamheden, die het drukken vordert, kunnen blinden - zonder ziende hulp - zelfstandig verrichten. Toevallig zijn onze drukkers zelfs beiden blindgeborenenen. Daar men nu steeds voor dit werk geschikte blinden in huis heeft, vordert het drukken van nieuwe boeken behalve de kosten voor papier geene verdere uitgaven. Onderstaande gravure bevat het gehele zetmateriaal. De 63 typen, die het drukken met typen vordert, zijn, zoals men ziet, teruggebracht to 15 typen. dit is verkregen, door ieder braille teeken uit twee deelen te laten samenzetten en wel uit één typ der serie a en één der serie b. (zie c.) Beschouwt men de typen, dan zal men zien, dat die van serie a dunner zijn dan die van serie b.
Men heeft in het braille systeem rekening te houden met een dubbelen afstand der punten; één, die de punten van ieder braille-teeken van elkaar en een die de teekens zelf scheidt. Men noemt de eerste puntafstand en de laatste letterafstand. Eene beschouwing van de volgende brailleletters cd (c,d) zal dit ophelderen. De afstand tusschen het tweede en derde punt (puntje 4 van de c en puntje 1 van de d – red.) is een weinig grooter dan die tusschen het eerste en tweede punt (puntjes 1 en 4 van de c – red.). De 2 eerste punten (punten 1 en 4 – red.) horen bij elkaar en vormen de letter c, gelijk ook de drie volgende punten (punten 1, 4 en 5 – red.) die de letter d vormen. De grootere afstand tusschen het 2e en 3e punt (punt 4 van de c en punt 1 van de d – red.) is dus de afscheiding der letters c en d. Zonder die onderlinge afscheiding van ieder brailleteeken zou het schrift onleesbaar zijn, wijl men dan niet meer kon weten, welke punten bij elkaaar behooren.
Bij de typen van serie a staan de reliefpunten juist in het midden en zij hebben ter weerzijden van de punten den halven puntafstand, waarin aan beide zijden 4 halve drukkuiltjes. Bij de typen van serie b staan de punten uit het midden en meer links. Zij hebben aan de linkerzijde der punten evenals de typen van serie a den halven puntafstand, waarin ook halve puntkuiltjes; maar aan den rechterkant der punten hebben zij anderhalven puntafstand. Ieder brailleteeken wordt, gelijk wij reeds zegden, gevormd door eerst een type van serie a te zetten en er dan een type van serie b zoo tegen aan te plaatsen, dat de halve puntafstanden tegen elkaar komen en samen een heelen puntafstand vormen. (De halve drukkuiltjes der beiden typen vormen daaroor van zelf ook heele drukkuiltjes.) Achter de punten van het braille-teeken heeft men dan den anderhalven puntafstand van serie b. Deze anderhalvepuntafstand maakt met den hallvenpuntafstand, die type a der volgende letter vóór zijn punten twee heele puntafstanden tusschen de punten van iedere letter of teeken. Dit is de letterafstand.
Daar bij typen van serie a de punten in het midden staan en zich ter weerzijden der punten een halve puntafstand met halve drukkuiltjes bevindt, blijkt, dat men deze typen op twee manieren kan zetten. Het eerste type der serie dient voor het zetten van het linker bovenpunt van de grondtype (zie c.) Zet men ze andersom, dan vormt zij het linker onderpunt. Zij dient in ons systeem ook dan vor beide teekens. Dit dubbel gebruik veroorlooft ook het tweede type van serie a, dat kan dienen voor de twee linker boven- en onderpunten. Ook de overige typen dezer serie laten dit omdraaien toe en vergemakkelijken daardoor het zetten. De typen van serie b kunnen niet worden omgekeerd. Zij moeten altijd zóó geplaatst worden, dat de halve puntafstand met de drukkuiltjes, die zij links vóór de punten hebben, zich tegen de typen der serie a aansluiten en daardoor met deze dus heeele puntafstanden met heele drukkuiltjes vormen. Om het juist zetten der typen van serie b te verzekeren, en te verhinderen, dat zij verkeerd tegen de typen van serie a worden geplaatst, hebben deze typen eene inkeeping in den voet der type, die door een interlinie wordt aangevuld. Zij moeten dus noodzakelijk zóó gezet worden, dat die inkeeping op de interlinie past en daardoor heeft de zetter zekerheid, dat ze staan, zoals ze staan moeten. De typen van serie a, die - gelijk wij zegden – dubbel kunnen gebruikt worden, hebben twee zulke inkeepingen. Door de inkeeping is zoowel het verkeerd zetten als het ondersteboven zetten onmogeljik gemaakt. Bij het zetten kan alleen maar de fout gemaakt worden, dat het brailleteeken in plaats van uit één type van serie a en één van serie b, - uit twee typen van serie a wordt gevormd en dus de letterafstand wegblijft. Is deze zetfout gemaakt, dan wordt ze heel licht door den blinden lezer bij de correctie opgemerkt en bovendien signaleert zij zich ook daardoor, dat de regel, waarin zij voorkomt, korter is dan de andere regels. Zetfouten door verkeerd plaatsen of door verkeerd samenvoegen, zoo ze gemaakt zijn, worden gemakkelijk opgemerkt. Dit voordeel is zeer groot, want daar met twee vormen zetsel tegen elkaar in gedrukt wordt, moeten punten en drukkuiltjes zuiver – en wel zoo zuiver mogelijk – met elkaar in verband staan. Mankeert in dit opzicht ook maar het minste, dan heeft dit bij het drukken aanstonds vernietiging van lettermateriaal ten gevolge en nog wel in beide vormen. Maar gelukkig, dit is met de noodige oplettendheid gemakkelijk te voorkomen.
Een blik op de grondtype van het braille systeem (zie gravure g.) doet zien, dat de drukkuiltjes een weinig lager staan dan de punten. Gelijk dit is bij één type is het ook bij een geheele vorm type, die een bladzijde vertegenwoordigt. Willen dus b.v. de punten van vorm twee in de kuiltjes van vorm één kunnen drukken, dan moet vorm twee een weinig lager in het drukraam komen dan vorm één. Hieruit volgt, dat de punten van vorm één boven de punten van vorm twee onder die van vorm één drukkuiltjes behoeven. Vandaar, dat wij in plaats van zes acht drukkuiltjes in ieder heele type moeten hebben.
Bij het bespreken van den enkelzijdigen druk zegden wij, dat er tusschen de regels eene kleine ruimte voor afscheiding moet vrij gelaten worden. Bij een blad tusschenpuntschrift, dat, om ons zoo uit te drukken, aan beide zijden van het papier een blad enkelzijdig schrift bevat, is ook eene gelijke ruimte voor afscheiding der regels noodzakelijk. Omdat het tusschenpuntschrift zooveel, ja eigenlijk haast te veel eischt van het papier, dacht het ons nuttig de punten nog zoo veel mogelijk vrij papier te geven. Dit verkregen wij door de ruimte tusschen de regels, die 4 punten van de 6 der grondtype plaats verleent, voor het relief der keerzijde te benutten. Er vallen nu eigenlijk maar twee punten van het zestal tusschen andere punten in. Het hiervoor noodzakelijk geworden verstellen der drukvormen, die de even bladzijden bevatten, geschiedt met de versteltype c. De even bladzijden krijgen bovendien een regel dezer typen, waarop dan de gewone typen met punten volgen. Door dit omlaag stellen der even vormen vinden de onderste punten van de even bladzijden in de oneven geen drukkuiltjes meer, doch hierin wordt voorzien door de sluittype d. Beide, zoowel versteld als sluittype, hebben maar alleen drukkuiltjes. Daar ze voor verschillende bladzijden moeten dienen, zijn ook de drukkuiltjes verschillend geplaatst, waaruit volgt, dat ze niet mogen verwisseld worden. Omdat nu beide typen dezelfde afmetingen hebben en de stand der drukkuiltjes door den blinden zetter niet kan worden gevoeld, zijn de versteltypen gemaakt met eene inkeeping voor een dunne interlinie, terwijl de sluittypen deze inkeeping misschen. Interlinies voor afscheiding der regels zijn bij ons nieuw drukmateriaal niet nodig. de typen zelf vormen dezen afstand, gelijk wij bereids zegden. De interlinies, die wij bezigen, dienen alleen tot aanvulling der inkeepingen van de typen en vallen daarin weg. Zij werden bijgenomen, om het corect zetten en het verplaatsen van regels bij de correctie te vergemakkelijken. Wij zegden hiervoor, dat de afstand tusschen de regels vier drukkuiltjes bevat. Voor tusschenlinieschrift moeten er dat zes worden. Er moeten er dus twee worden bijgevoegd en dat geschiedt met de kleine type. (e.) Deze type heeft op het bovenvlak twee drukkuiltjes en er moet voor tusschenlinieschrift na elken regel gewonen typen een regel van deze type worden tusschen gevoegd. Type e gelijkt veel op type c, maar ze is aanmerkelijk dunner en daardoor van deze laatste gemakkelijk te onderscheiden. Ze mag niet worden omgekeerd en is daarom ook gemaakt met eene inkeeping, die door een dunne interlinie wordt aangevuld. Type f is de spatie, welke dient voor afscheiding der woorden. type h is dezelfde als type f, maar heeft eene eigenaardige insnijding in den voet, die mogelijk maakt door middel van koperen latjes de losse typen tot stukken wit van verschillende lengte te vereenigen. Het materiaal is vervaardigd door de firma Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem. De firma brengen wij bij dezen den verdienden lof voor de zuivere en correcte afwerking der typen. Het eigendom der nieuwe vinding hebben we ons natuurlijk voorbehouden en is ons door de firma gegarandeerd. Behalve de nieuwe typen en eene doelmatig en practisch daarvoor ingerichte zetkast, behoefden wij voor zetten en drukken niets aan te schaffen. Pers en opsluitramen en alle overig zet- en drukmateriaal, dat wij voor enkele jaren hebben aangeschaft, kan en blijft ook voor deze nieuwe drukmethode dienen. Ofschoon wij over het zetten en drukken nog in het 20ste jaarverslag uitvoerig hebben gesproken, dunkt het ons volledigheidshalve nuttig, dit hier nog eens beknopt te herhalen.

Gelijk wij zegden bestaat ons nieuw systeem van typen uit 15 stuks. Met verstel- en sluittypen en het kleine typje voor tusschenlinieschrift wordt dit 18 stuks. Zooals achterstaande gravure haar te zien geeft, heeft de zetkast veel meer afdeelingen. De reden hiervan is, dat zij eigenaardig en practisch voor de blinde zetters is ingericht. Voor de berging van het gezamenlijk zetmateriaal is eene zetkast noodig van 1 vierkante meter oppervlakte en 9 cm, diepte. Gelijk de zetters aan den arbeid op de onderstaande gravure worden voorgesteld, kunnen zij onmogelijk 1 vierkanten meter bereiken. En al zouden zij dit kunnen, dan zou het toch onpractisc zijn, omdat, hoe dichter het materiaal bij de plaats is waar het moet gebruikt worden, hoe vlugger het ook kan worden geplaatst. De zetkast is daarom verdeeld in vijf hoofdvakken. Vier dezer zijn ieder 60 x 40 cm. groot. Ieder dezer vier hoofdvakken is ingericht als volkomen zetkast, zoodat in ieder vak alles is vervat wat voor het zetten nodig is, alleen de interlinies uitgezonderd. Deze laatste vinden hare plaats in het vijfde vak, dat, door de vier genoemde ingesloten, het middelvak der zetkast vormt. Onder den bodem der zetkast, die met haar inhoud ruim 200 kilogram weegt, zijn vijf draaibare rolletjes bevestigd. Hierop rust zij met het blad van het onderstel en wordt alleen door een pin op het middelpunt van het blad zóó vast gehouden, dat zij naar believen kan worden verdraaid. Door deze inrichting der zetkast, kan éen zetter ze in haar geheel benutten; want, is éen der hoofdvakken leeg gezet, dan behoeft hij het zettafeltje slechts een weinig terug te schuiven, om met iederen kwartdraai van de kast een ander vak, op de plaats van het eerste, in zijne onmiddellijke nabijheid te brengen. Er behoeft dus nooit met de kast gedragen worden, de zetters behoeven nooit meer dan een vierkanten halven meter te bereiken, en zoo noodig kunnen ook drie of zelfs vier zetters tegelijk aan de zetkast werken, zonder elkaar te hinderen.
De blinde zetters verrichten hun arbeid op een bordje van zink, dat den zethaak, door de zienden gebezigd, vervangt. Zij zetten eene geheele bladzijde achter elkaar en wel in een rechthoekig gebogen beugel, die langs drie der vier zijden de gezette bladzijde omspant en bij elkaar houdt. Het zetten geschiedt van rechts naar links en van onder naar boven. De letters of teekens moeten dus omgekeerd, d.i. het onderstboven worden gezet. De rechterhand voert het materiaal aan, de linkerhand zet het in den gevorderden stand op zijne plaats. Een en ander gaat zoo rap en zeker in zijn werk, dat men, het ziende, geheel vergeet dat het blinden zijn die dit, zelfs voor zienden nog lastig werk, verrichten.
Om het zetten te vergemakkelijken en te bespoedigen, hebben wij in het ondervlak van een deel der spatie's (fig. h) eene opening laten gieten, die het mogelijk maakt ze aan metalen latjes te klemmen en zoo tot stukken van willekeurige lengte te vereenigen. Heeft de zetter eene bladzijde klaar, dan brengt hij deze naar de corrigeer- en opsluittafel (zie bovenstaande gravure) waar hij de door den ijzeren beugel bijeengehouden pagina zetsel van het bordje laat glijden, en vervolgens schuivende op de plaats brengt waar zij, volgens het onderling verband voor het opsluiten, in de drukramen (bovenstaande gravure c) moet wezen. Wijl het opsluiten van de gezette pagina's in de drukramen met pijnlijke zorgvuldigheid en met volkomen gelijkheid van beide ramen, die in elkander drukken, moet geschieden, hebben wij deze zoo doen inrichten, dat ook een blinde dit anders zoo moeilijk werk zeer gemakkelijk en correct kan verrichten. De drukramen hebben binnen eene volkomen zuivere en haaksche ruimte van 48 x 35 cm. De ruimte kan over lengte en breedte, door inschuiving van eveneens in alle afmetingen zuiver recht en haaksch afgewerkte latten, naar believen worden verkleind. In plaats van, gelijk zulks in gewone drukkerijen geschiedt, het zetsel middenin de ramen op te sluiten, dringen wij het tegen de kanten. Daardoor wordt het volkomen haaksch en zuiver aan elkaar gelijk opsluiten van het zetsel in de ramen, ook voor een blinde, niet alleen mogelijk, maar zoodra hij daarin eenige routine bezit, zelfs zeer gemakkelijk. Ieder raam kan in twee pagina's in groot kwarto- of 4 pagina's zetsel in groot octavo formaat bevatten. Daar wij met twee ramen zetsel tegen elkaar in drukken, komen wij in het kwarto formaat 4, en in het octavo formaat 8 bladzijden druks ineens, dus aan iedere zijde van het papier 2 of 4 bladzijden. De inliggende proeve van den druk bevat twee bladzijden tusschenlinie- en twee bladzijden tusschenpuntschrift.
Het drukken van tusschen-linie- en tusschenpuntschrift kan alleen dan exact en correct met typen geschieden, als het blad papier, over zijne geheele oppervlakte, op hetzelfde moment door de drukvormen wordt vastgenomen en gedrukt. Hieraan voldoet onze Victoria pers zoo volkomen mogelijk. Hoewel zij niet expres voor het drukken van braille-schrift is gebouwd, maar naar onze aanwijzing daarvoor is ingericht, betwijfelen wij toch, of zij, indien zij expres voor dit doel was vervaardigd, geschikter en meer geeigend er voor kon wezen, als zij nu is.
Beschouwt men achterstaande gravure der pers, dan ziet men bij b, tegen het fundament, of vaste deel der pers, een voor het drukken gereed zijnde vorm, van 4 bladzijden. Een dito vorm ligt ook op den degel (zie d). Deze laatste is niet geheel zichtbaar, ter oorzake van het druktafeltje der pers dat er vóór valt. (Deskundigen zullen opmerken, dat die druktafeltjes der pers eigenlijk verkeerd en ondoelmatig staan. Dit moge waar zijn voor zienden en gewoon drukwerk. Voor ons staan ze zóó het doelmatigst.) Wordt door draaiing met den zwengel (f) de pers in werking gebracht, dan richt zich de degel (d) op en plaatst zich rechtsstandig voor den andderen vorm, doch zoo, dat er tusschen beiden in nog een paar centimeters ruimte is. De degel schuift dan rechtstandig vooruit, tot de typen van beide vormen in elkaar grijpen, en zich hierdoor in het tussschenliggende blad vochtig papier afdrukken. Is dit geschied, dan maakt de degel weer de zelfde beweging terug en komt weer in liggenden toestand. Nu wordt het gedrukte blad afgenomen en weer een nieuw opgelegd.
Bij gewoon drukwerk met inkt, kan het afnemen der bladen en het opleggen van nieuwe zóó vlug geschieden, dat de pers loopende blijft. Bij onzen braille-druk kan dit niet zoo vlug van de hand gaan, omdat het papier eenigermate op de relieftypen wordt vastgehouden en recht omhoog moet worden afgelicht. Door verstelling van den degel kan de hoogte van het relief naar believen worden geregeld.
Gelijk te begrijpen is, moet het drukpapier voor het drukken zuiver op de vereischte maat worden gesneden, want, is het bedrukt, dan kan zulks slechts hoogbezwaarlijk meer geschieden, zonder het relief van den druk te beschadigen. Hieruit volgt ook, dat het, voor het ontvangen van een druk, nauwkeurig moet worden opgelegd, ten einde de onbedrukt blijvende randen, langs alle zijden van den druk, aan elkaar gelijk te houden. Onze pers bezit hiertoe een eenvoudig en praktisch toestel, dat over het drukraam van den degel kan worden gelegd en ter weerszijde van het raam op den degel wordt vastgehouden. Wijl het toestel willekeurig kan gesteld worden, laat zich het juist leggen van het drukpapier voor ieder formaat door hetzelve correct en doelmatig regelen.
De omhoogstaande lat (f) grijpt het drukpapier vast, als de degel tennaastenbij recht staat en belet, dat het door zijn vochtigen toestand zachte papier, bij zijn loodrechten stand buigt of afvalt. Zij bewerkt ook, dat het gedrukte blad op den vorm van den degel blijft, en, zoo als gezegd is, gemakkelijk en vlug kan worden afgenomen en door een ander vervangen. De lat kan naar believen over geheel de breedte van den degel worden gesteld, en desverlangd kunnen ook twee of drie zulke latten voor hetzelfde doel worden geplaatst.
Is een stel vormen gedrukt, dan worden zij uit de pers genomen, losgemaakt, en wordt het zetmateriaal op nagenoeg dezelfde wijze, en met hetzelfde gemak als het gezet is, weer door de blinde zetters zelf in de kast gedistribueerd. Het blijft dus gedurig voor nieuwe vormen en boeken dienen.
De druk munt uit door gelijkmatigheid van de reliefhoogte, door stevigheid en stabiliteit der punten en door eene zekere strakheid en gladheid van deze, waardoor bij het lezen, het gevoel van de vingertoppen der blinden niet vermoeid of verdoofd wordt, wat bij het lezen van sommige druk van elders wel het geval is. Inliggende proeve van den druk kan als bevestiging hiervan dienen. Hierdoor kunnen geëerde weldoeners zich ook een denkbeeld vormen van het voor brailledruk gevorderde papier en van de vaardigheid, waarmede blinden met ons materiaal werken. Het zetten en distribueeren van een tekst, als de twee eerste pagina's dezer drukproef, kan in 40 minuten worden verricht. Het zetten en distribueeren van de twee laatste pagina's tusschenpuntschrift vordert niet meer dan een uur. Het gedrukte velletje brailleschrift, dat hierbij is gevoegd, bevat drie kleine gedichten, van den blinden zetter, th. Nass, (zie bladz. 55) uit wiens werkzaam en helder brein reeds vele gedichten vloeiden. Met behulp der tabel, hiervoor afgedrukt, kunnen diegenen onzer geëerde weldoeners, die er pleizier in hebben, den inhoud zonder groote moeite ontcijferen.

nota bene


Sommige onzer geëerde weldoeners, bewijzen ons en onzen blinden een gewichtigen dienst door het overbrengen van godsdienstige werken en verhalen in braille-schrift. Wij hopen, dat zij door de lezing van dit opstel niet zullen denken, dat hun verdienstelijk werk nu overbodig is geworden, want zulks is in geenen deele het geval. Alleen boeken, waarvan een zeker getal exemplaren kan worden opgelegd, zooals school- en kerkboeken loonen de werkzaamheden, die het drukken vordert. Werken voor de bibliotheek moeten ook nu nog met de hand worden gemaakt. Wij verzoeken daarom, onzen geëerden weldoeners, die ons en onze blinden tot dusverre hierin zulke gewaardeerde diensten bewezen, daarmede te blijven voortgaan.

(De brailletekst is overgetikt door Bianca Stokkingreef en Yvonne Zuidema. De gravures waarover wordt gesproken bevinden zich niet in onze collectie.)



naar de beginpagina van verslagen van de Graafse blindeninstituten
naar de beginpagina van documenten
naar de beginpagina van de collectie
naar leer- en hulpmiddelen
naar interviews
naar de beginpagina van de website