Jaarverslag 1906

twintigste jaarverslag van de graafse blindeninstituten over het jaar 1906


Gebrailleerd door H. smaling
Eindhoven.

Een en ander over het drukken van blindenboeken in het algemeen, en over onze nieuwe drukmethode in het bijzonder


In het vorig verslag beloofden wij, onzen geëerden weldoeners, thans een opstel te wijden aan onze gereorganiseerde materialen voor het drukken van braille boeken, en daarbij aan te tonen, hoe in onze drukkerij, alle werkzaamheden door blinden kunnen verricht worden. Alvoorens echter dit dubbel onderwerp te behandelen, achten wij het nuttig, eene korte samenvatting der geschiedenis, van het thans over de gansche weereld aangenomen braille- of puntschrift der blinden, te laten voorafgaan. Wel hebben wij in de opstellen der vorige verslagen reeds meermalen en zelfs een paar maal tamelijk uitvoerig, dit onderwerp behandeld, maar toch gelooven wij heden opnieuw daarop te moeten terug komen wijl het anders te vreezen is, dat voor verrreweg de meesten, onzer geëerde weldoeners, de inhoud van dit opstel ombegrijpelijk zal wezen.

Van hoogdruk naar braille


Toen in 1784 de Parijs het eerste instituut tot onderwijs en opleiding van blinden werd gesticht, bezigde men aanvankelijk voor het leesonderricht alleen boeken, met de gewone letters der zienden. Ten einde deze voor de blinden leesbaar te maken, werden deze letters niet met inkt op- maar door sterke persing zoodanig aan de eene zijde in het papier gedrukt, dat zij aan de keerzijde zich in relief vertoonden, en daardoor voor het gevoel der blinden kenbaar werden. De resultaaten, die ermede verkregen werden, waren zeer voldoende. De blinden gleden met de vingertoppen er overheen en lazen dit reliefschrift zeer vloeidend.
Het bleek echter al van den aanvang af, dat dit systeem groote bezwaren had. Alleen jeugdige blinden, wier zachte vingertoppen nog niet door de jaren en andere invloeden hare hooge fijnheid van gevoel hadden verloren, konden tamelijk vlug de kleine afwijkingen in den vorm, die de eene letter van de andere onderscheidden, waarnemen. Het gaf dus slecht resultaat, als het op jeugigden leeftijd werd geleerd. Maar ook dan nog haperde er iets, want, om ons zoo uit te drukken, het kon hun niet dienen voor schrijven. Zij konden het alzoo niet aanwenden voor notitiën en correspondeeren. De blinden zelf begrepen het best, dat zij met dit - aan het schrift der zienden ontleende systeem - slechts ten halve gebaat waren, en dat er een ander, meer voor hen geeigend systeem, geschikt voor lezen en schrijven, moest gevonden worden. Als wij hier en in het vervolg van schrijven spreken, dan bedoelen wij daarmede het schrijven voor blinden, dat is, het zelfstandig vormen van relief- of voelbare letters en teekens.
Toen eenige jaren later, in 1804, door Johan Wilhelm Klein, naar het model van Parijs, ook in Wenen een instituut voor blinden was tot stand gekomen, gelukte het dezen begaafden en ijverigen vriend der blinden, hun een systeem te bezorgen, dat zij konden lezen en ook, met een door hen gevonden hoogst eenvoudig toestel, konden schrijven. Letters en teekens bestaan uit naaldenprikken en zijn in vorm gelijk aan een meest gebruikten latijnsche hoofdletters. Het schrijven of liever prikken, geschiedt met behulp van rechthoekige staafjes, in welks ééne pool of eindvlak, eenige naalden, met de punten omhoog, zóó zijn vastgegoten, dat zij een letter, cijfer of teeken vormen. Legt men nu een vel papier op eene zachte stof, vilt of laken, en drukt men de naaldpunten door het papier heen daarin, dan vertoont zich op het papier aan de keerzijde de letter of het teeken, in een wel zwak, maar toch voor het fijn ontwikkeld gevoel der blinden, voldoende relief. Klein vond ook, gelijk wij zegden, een toestel, om deze typen regelmatig te plaatsen en naar believen te gebruiken. Hierdoor waren de blinden in het bezit gekomen van een alphabet, dat hun voor lezen en schrijven kon dienen en daarbij het nog het voordeel had, dat het hun ook de correspondentie met zienden mogelijk maakte. Het moet dan ook worden erkend, dat men door hetzelve een kostbaar hulpmiddel voor het onderwijs der blinden was rijker geworden. Geheel afdoende was het bezwaar er evenwel niet door opgelost.
Wij zeiden reeds, dat de naaldprikken, waardoor de letters gevormd worden, slechts een klein relief geven. Dit laatste, bestaat niet uit punten, die door uitzetting van het papier zijn verkregen, maar slechts uit een kringetje vezelige papierstof. Dat zulk kringetje weinig weerstand biedt, als het door betasting moet worden waargenomen, is duidelijk. Iedere maal, als de blinde er de vingertoppen doet overglijden, boet het relief iets van zijner duidelijkheid in, en al heel spoedig wordt het geheel onleesbaar. Het gevolg hiervan is, dat men dit relief niet met resultaat voor het maken van boeken kan aanwenden.
Behalve aan het systeem voor het schrijven en drukken van leesboeken, bestond er ook dringende behoefte aan een dito voor het schrijven en drukken van muziek. Ook voor dit laatste had men zijn toevlucht genomen tot het systeem der zienden en dit door relief onder het bereik der blinden gebracht. Gelijk bij het gewone leessysteem, bestond ook hier het voornaamste bezwaar hierin, dat de blinden zelf het niet konden schrijven.

Naar het voorbeeld van Parijs en Weenen, waren er ondertusschen ook in meerdere groote steden van Europa, en ook in Amerika, inrichtingen tot onderwijs der blinden tot stand gekomen. Ook in deze gestichten voelde men dezelfde behoefte, en zocht men naar eene bevreedigende oplossing, zonder ze te kunnen vinden. De voornaamste reden hiervan is stellig gelegen in de omstandigheid, dat men immer de bestaande systemen der zienden tot grondslag en uitgangspunt bleef houden.
Reeds was er eene halve eeuw sinds de oprichting van het parijsche-instituut verloopen, toen men eindeleijk den weg vond, die men op moest, om tot het begeerde doel te komen. Die weg werd ontdekt en aangewezen door den franschen artillerie officier, Charles Barbier. Deze had den gelukkigen inval, dat het reliefpunt zich het gemakkelijkst door het gevoel laat kennen en zich ook tegelijk door eenvoudige hulpmiddelen laat vormen. Wijl hij zich bijzonder voor het onderwijs der blinden interesseerde en zich alle moeiten gaf, om den blinden nuttig te zijn, maakte hij deze gedachte tot een punt van ernstige studie en had het genoegen, zijne moeite met het beste gevolg bekroond te zien. Hij ontwierp een volledig alphabet en bovendien ook nog eene serie teekens die samenklanken, achter- en voorvoegsels van woorden, enz. voorstelden. Deze teekens bestonden uit relief-punten, die de blinden zelf met behulp van een eenvoudig toestel konden vormen. Natuurlijk was zijn geheele systeem, dat hij ‘expeditive française’ noemde, uitsluitend berekend voor de Fransche taal. De grondtyp bestond uit twee rijen van zes punten in de hoogte, d.i. juist de helft meer, als die der grondtyp van het braille-systeem. Barbier onderwierp zijn systeem aan het oordeel der academie van wetenschappen te Parijs, welke het ten zeerste prees en den vinder hare gelukwenschen aanbood. Hierop werd het systeem aangenomen en ingevoerd in het Parijsche blindeninstituut en ontving daar den naam: ecriture-nocturne’. Er werd nu eene handleiding gedrukt, waarin het systeem werd verklaard en toegelicht en het gebruik der teekens werd aangegeven en bepaald. Ook werden er borden gemaakt, waarop zij relief waren voorgesteld, om den blinden het aanleren derzelve te vergemakkelijken.
Toen het systeem practisch werd aangewend, bleek al spoedig, dat het veel kon vereenvoudigd worden, zonder iets te verliezen van zijn waarde. Meerdere blinden, van het parijsche instituut, hadden dra voor eigen gebruik vereenvoudigde systemen samengesteld, zoodat er nu in plaats van één, verschillende systemen in gebruik kwamen, wat natuurlijk minder wenschelijk was.
Louis Braille, een jeugdig, maar energiek leeraar, die, schoon zelf blind, in meerdere vakken van onderwijs zich voor zijne lotgenoten verdienstelijk maakte, begreep, dat het zoo niet kon voortgaan. Ook hij was van oordeel, dat eene vereenvoudiging van het systeem het doelmatiger en geschikter zou maken, en zette zich daarom aan het werk, om zoo mogelijk een, op orde en regelmatigheid gebaseerd, verkort en vereenvoudigd systeem te ontwerpen. Zijne pogingen werden met schittterend gevolg bekroond en wel in die mate dat zijne vereenvoudiging niet alleen het systeem van Barbier, maar ook alle andere systemen nagenoeg geheel heeft verdrongen en heden over geheel de wereld wordt gebruikt.
Gelijk wij boven zeiden, bestond de grondtyp van Barbier uit twee rijen van zes punten in de hoogte. Braille bracht haar terug tot twee rijen van drie punten (drie verticaal, twee horizontaal - red.). Hij ontwierp uit deze eenvoudige grondtyp van zes punten een volledig alphabet met leestekens, niet alleen voor de Fransche taal, maar ook voor alle overige talen geschikt. Daarbij een practisch systeem voor het schrijven van cijfers en cijferteekens en dito voor de teekens, die het schrijven van muziek eischt. Dit drievoudig systeem heeft hij zóó vernuftig en practisch in elkaar gezet, dat het zich reeds meer dan een halve eeuw, zonder noemenswaardige verandering te ondergaan, heeft staande gehouden.
Onderstaande tabel bevat het systeem, voor zoover het voor het schrijven van het alphabet c.a. en cijfers en cijferteekens gebruikt wordt. Zijne aanwending voor het schrijven van muziek hebben wij besproken in het veertiende jaarverslag.
Het braille-systeem overtreft in alle opzichten, dat van Barbier en toch, hoewel het reeds in 1850 door den toenmaligen directeur Pierre armand Dufau voor het Parijsche instituut werd aangenomen en ingevoerd, heeft het slechts langzamerhand de alleenheerschappij, die het thans geniet, veroverd. Zelfs in het Parijsche instituut, waar het ontstond, bleef het vele jaren lang slechts de tweede plaats innemen, en werd het alleen gebruikt, als een verkorting van het systeem van Barbier, dat de eerste plaats innam. Dit vindt eenigermate zijne verklaring hierin, dat men voor het drukken van boeken naar het systeem van Barbier typen bezat en dat reeds tal van boeken volgens dit systeem gedrukt, voor alle vakken van onderwijs in gebruik waren. Het ging natuurlijk niet, deze aanstonds door boeken, volgens het braillesysteem gedrukt, te vervangen; en zoo bleven vanzelf eenige jaren beide systeemen naast elkander in gebruik. Dit was nog het geval ten jare 1882. Sinds is evenwel het braille systeem er bovenop gekomen en het systeem van Barbier, wels gebruik overignes, voor zoover wij weten, tot het instituut van Parijs is beperkt gebleven, van lieverlede geheel losgelaten. De zoogenaamde hoogdruk, welke bestaat uit de gewone lettertypen der zienden, in groote karakters relief gedrukt, heeft zich nog langer staande gehouden en wordt heden nog, in sommige gestichten, naast het braille systeem gebruikt. Vooral in Duitsland en in Engeland, waar vele boeken volgens dit systeem gedrukt werden, heeft men er met zekere, niet goed te praten koppigheid, aan vast gehouden. Voor deze sympathie kennen wij geen anderen grond, dan het voordeel, dat hoogdruk heeft, van door blinden en zienden te kunnen gelezen worden. Dit ééne voordeel, dat voor de blinden zelf nog niet als zoodanig kan worden aangemerkt, wijl zij den hoogdruk niet kunnen schrijven en dus ook niet voor notitiën, of correspondentie met zienden, kunnen aanwenden, weegt in geenen deele op, tegen de vele en groote voordelen, die het braille systeem eigen zijn.
Er ontstond een vinnige strijd tusschen de voor- en tegenstanders, die voortduurde tot het zesde congres van blinden-leeraars, dat in augustus 1888 te Keulen gehouden werd. Hier werd hij in zooverre beslecht, dat het congres zich verklaarde voor het braillesysteem in hoofdzaak, maar ook voor de bijbehouding van den hoogdruk voor de gestichten, waar hij in gebruik was. De blinden hadden dus in die gestichten twee verschillende systemen te leeren, ofschoon zij in het braille-systeem alles vonden, wat zij behoefden, en zelfs maar konden wenschen. Dat dit onpractisch was, wilden de voorstanders van den hoogdruk niet inzien. Van lieverlede zijn echter de oogen open gegaan en heeft het verstand gezegevierd. Nog slechts in enkele gestichten worden heden boeken in hogdruk gebruikt, terwijl in alle aan het braille-systeem de eerste plaats is ingeruimd.
Gelijk de hoogdruk in zijn veeler varianten en het systeem van Barbier, werd ook aanvankelijk het braille systeem slechts enkelzijdig gedrukt en geschreven. Men drukte, of liever perste de punten aan de eene zijde zoo sterk in het papier, dat aan de keerzijde een voor de blinde goed voelbaar reliefschrift ontstond. Men was hierbij verplicht tusschen de regels van het schrift eene afscheiding te laten en dit deel van het papier ging verloren. Daar evenwel de reliefboeken in het algemeen ter oorzake der betrekkelijke grootte der letters, der dikte van het papier en niet het minst ten gevolge van het relief zelf spoedig eene groote lijvigheid bekomen, kunnen zij maar weinig inhoud bevatten. Men zocht daarom de geheele oppervlakte van het papier te benutten. Dit middel vond men, door de ruimte tusschen de regels zóó groot te nemen, dat zij kon benut worden voor een regel schrift, aan de keerzijde. Hierdoor verkreeg men het dubbelzijdig schrift. Een blad, volgens deze manier geschreven of gedrukt, heeft afwisselend aan iedere zijde een regel relief- dat is voor de blinden voel- en leesbaar schrift, gevolgd door een regel contra-reliefschrift, die aan de andere zijde van het blad relief en dus voel- en leesbaar is. Kortheidhalve zullen wij, waar in het vervolg van deze regels van schrift spraak is, de eerste positief- en de andere negatiefschrift noemen. De negatieve regels vormen de afschijding, die voor het lezen der positieve gevorderd wordt; en aldus wordt de heele oppervlakte van het papier benut en blijft er niets onbeschreven. Het volgens deze manier geschreven, of gedrukt braille-schrift, dat dubbelzijdigtusschenliniënschrift wordt genoemd, geeft, aan de zoo geschreven of gedrukten boeken 25% meer inhoud. Daarbij wordt de afscheiding tusschen de regels er nog ruimer en duidelijker door, dan deze bij de eerstbeschrevene enkelzijdige schrijf- of drukmethode is. Een ander voordeel ontstaat nog uit het verband, dat tusschen de regels positief- en negatiefschrift heerscht. Daardoor wordt verkregen, dat in de boeken nooit positieve regels schrift elkaar drukken en beschadigen. Het tusschen-liniënschrift, is daarom even solied en duurzaam als het enkelzijdige en de boeken, welke, volgens deze methode zijn gemaakt, blijven veel langer duidelijk, dan die, welke geschreven of gedrukt zijn volgens de derde methode, die wij nu gaan beschrijven.

Zetten en drukken van braille


In het bezit zijnde van het dubbelzijdig-tusschenliniënschrift, lag de weg open, om nog een stap verder te gaan en daardoor nogmaals den inhoud der blindenboeken met 1/3 te vergrooten. Want, gelijk men bij het tusschen-liniënsysteem, een regel positiefschrift met een regel negatiefschrift afwisselt, kan men ook, door een kleine verplaatsing omlaag, en links of rechts, eene positieve letter met een negatieve in verband brengen en afwisselen. Die stap werd gezet, en deze methode noemde men tusschenpuntschrift. Een zoodanig geschreven of gedrukt blad brailleschrift, bevat juist den dubbelen inhoud, van enkelzijdig geschreven of gedrukt. Daar men evenwel bij het tusschenpuntschrift weer een afschijding tusschen de regels moet vrij laten, gelijk bij het henkelzijdige, bevat een blad tusschenpuntschrift slechts 1/3 meer dan een blad tusschenliniënschrift. Een derde meer inhoud per blad, is ook zooveel per boek, en dat bij hetzelfde papier verbruik, wordt een aanmerkelijk voordeel, dat er toe zou moeten leiden, alle blindenboeken in tusschenpuntschrift te maken. Dit zou ook stellig geschieden, indien deze lichtzijde van het tusschenpuntschrift ook niet eene leelijke schaduwzijde had. Het tusschenpuntschrift eischt boven mate veel van het rek- of uitzetvermogen van het drukpapier. Wil men aan de boeken, volgens deze methode geschreven of gedrukt, eenige duurzaamheid verzekeren, dan moet men zwaar papier, van deugdelijk grondstof vervaardigd, gebruiken, en dit komt duur uit. In de boeken vallen vele punten tegen elkander. Daardoor, gelijk ook door de meerdere dikte van het papier, wordt het volume der boeken, dat zekere grens niet mag overschreiden, vergroot, waarvan het gevolg is, dat minder bladen kunnen genomen worden, dan voor een boek van tusschenliniënschrift. Doordien vele punten elkander drukken en de brailleboeken immer betrekkelijk groot en zwaar zijn, wordt dikwerf het eene punt door het tegenovenliggende geheel- of gedeeltelijk ingedrukt. Het gevolg hiervan is dat er veele onnauwkeurigheden ontstaan en in veel gevallen de tekst onleesbaar wordt, wat vooral heel spoedig het geval is, bij werken die in het braillesysteem overgezette muziek bevatten. Uit deze bezwaren, bij welke wij nog enkele andere zouden kunnen noemen, blijkt voldoende dat het tusschenpuntschrift niet voor alle soorten blindenboeken en dus ook niet voor universeel gebruik aanbeveling verdient. Dit is de voornaamste reden, waarom wij onze nieuwe drukmethode voorlopig voor tusschenliniën- en niet voor tusschenpuntschrift hebben ingericht. Daar echter bij gewone leesboeken, door het hier en daar beschadigen of zelfs geheel indrukken van een punt, niet zoo spoedig groote onduidelijkheid en hoogst zelfden onleesbaarheid ontstaat, verdient het tusschenpuntschrift, ter wille van het 1/3 meer inhoud per blad en boek, voor zulke werken wel aanbeveling. Wij zijn dan ook voornemens later, ook voor het drukken van tuschenliniënschrift, het noodige zetmateriaal, naar eene nieuwe, ook door onszelven gevonden methode, die tegelijk ook voor enkelzijdigschrift en voor tusschenliniënschrift kan dienen, aan te schaffen.
Uit hetgene wij tot dusverre zegden, blijkt, dat de boeken der blinden op 3 manieren geschreven en gedrukt worden en wel: 1 enkelzijdig, waarbij het blad papier aan de eene zijde enkel positief- en aan de andere zijde enkel negatiefschrift bevat; 2 dubbelzijdig met tusschenliniënschrift, waarbij aan iedere zijde een regel positief- met een regel negatiefschrift afwisselt; en 3 dubbelzijdig met tusschenpuntschrift, waarbij op iedere zijde van het blad een gelijk getal regels positiefschrift staan, en zóó, dat de positieve en negatieve letters en teekens tusschen elkaar vallen.
Het drukken der relief-boeken geschiedde en geschiedt nog op verschillende manieren en met verschillend materiaal. Voor de eerste boeken, die ten behoeve der blinden werden gedrukt en die, gelijk wij reeds in het begin van dit opstel zegden, hoogdruk, d.i. relief of verhoogd gedrukte letters en teekens van het zienden alphabet bevatten, gebruikte men hetzelfde zetmateriaal, dat voor het drukken der zienden boeken dient. Het moest evenwel expres voor het doel worden gemaakt, wijl de typen, die voor reliefschrift, of persing moet dienen, niet omgekeerd, maar gewoon leesbaar moeten gegoten wezen. Het zetten geschiedde juist als voor het drukken van gewone boeken. Men bezigde bij het drukken natuurlijk geen inkt, maar men drukte de gezette en opgesloten vormen, nadat het voor de ontvangst van den druk bestemde papier was opgelegd, tegen een lap zaacht gummi of vilt, waardoor het papier, dat bevocht en daarvoor was geschikt gemaakt, zich waar het door de typen gedrukt werd, uitzette. Daardoor ontstond in het papier een trouw beeld van den vorm, dat aan de reliefzijde voor de blinden voelbaar was. Het drukken met typen volgens het systeem van Barbier geschiedde op gelijke wijze; zoo ook de enkelzijdige druk volgens het braille systeem.

In ons gesticht der manlijke blinden, dat reeds van 1859 bestaat, heeft men voor het drukken van het enkelzijdig braille-schrift eene eigen, zelfgevonden methode gevolgd. Deze verschilde in zoo verre van de elders gebruikte, dat in de plaats van met geheele typen, de drukvorm werd gezet met typen, die uit drie deelen bestonden. Verdeelt men alle braille letters en teekens der hiervoor afgedrukte tafel, over de lengte of hoogte in drie gelijke delen, dan blijkt, dat men slechts drie verschillende vormpjes behoeft, om alle teekens van het braille systeem te kunnen samenstellen. Zij zijn: vormpjes met één punt, (deze kunnen links en rechts geplaatst worden), vormpjes met twee punten en vormpjes zonder punten. Men behoeft dus slechts een zeker quantum van zulke vormpjes, om alle soorten van boeken volgens het braille systeem te kunnen zetten. Voegt men daarbij een drietal verschillende spatiën voor het afscheiden der woorden, eenige stukken wit voor het aanvullen van regels, benevens een zeker getal interlienies voor het afscheiden der regels, dan heeft men het geheele zetmateriaal. Alles vond plaats in een zet- of letterkast van 50 x 30 cm. in zeven vakjes verdeeld. Uit deze eenvoudige inrichting van het zetmateriaal ontstond het groote voordeel, dat een blinde het kon zetten. Dit is dan ook in ons gesticht altijd geschied en geschiedt, gelijk wij verder zullen zien, ook heden nog. Worden de drukvormen met geheele of vaste typen gezet, dan eischen deze eene zet- of letterkast met ruim 60 vakjes en eene uitgebreidheid, die bijna niet meer kan bereikt worden. Dat het voor een blinde onmogelijk is, uit een zetkast, met ruim 60 vakjes, met eenige vaardigheid de typen te nemen, welke hij behoeft, en na het drukken weer al het zetmateriaal op zijne plaats te distribueeren, is duidelijk.
Het drukken der gezette vormen geschiedde in ons gesticht op een houten pers, eveneens van eigen vinding, die wel eenige overeenkomst had met de snelpers, op gewoone drukkerijen in gebruik. De hier beschreven drukmethode, kan bij het drukken van tusschenliniën- en tusschenpuntschrift niet worden gevolgd. Hoofdzakelijk geschiedt het drukken van deze twee soorten van brailleschrift met steriotypplaten van koper of blik. In Engeland, Duitsland en Oostenrijk worden deze platen als volgt vervaardigd. Men neemt twee platen van gelijke grootte en bevestigt deze door middel van scharniertjes over een der lange zijden aan elkaar zoodat men ze naar believen kan openslaan en weer op elkaar brengen, zonder dat zij zich ten opzichte van elkaar verplaatsen. De zoo aan elkaar verbonden platen, worden op elkaar liggend, met behulp eener daarvoor expres vervaardigde machine, gelijk een gewoon blad papier, met tusschenliniën of tusschenpuntschrift beschreven. Beide platen bevatten daardoor denzelfden tekst en wel zuiver in verband met elkaar. Men doet ze nu van elkaar of open, legt tusschen de beide platen in een vel vochtig papier en na ze weer gesloten te hebben brengt men ze in de pers, die het relief der platen op het papier overbrengt, en dit laatste, dus, aan beide zijden tegelijk, met reliefschrift bedrukt. Een werkelijk voordeel van deze drukmethode is, dat men de steriotypplaten kan bewaren en naar willekeur gebruiken, zoo dikwijls men verkiest. Zij heeft evenwel ook nadelen en deze zijn van dien aard, dat wij niet konden besluiten, deze drukmethode over te nemen. Voor eerst eischt zij twee dure machines, één voor het vervaardigen der platen en een ander voor het drukken. Daarbij komt, dat de correctie der platen immer moeilijk en in sommige gevallen geheel onmogelijk is. De punteermachine bevat wel een toestel om enkele verkeerd geplaatste punten te verwijderen en enkele andere, waar het gevorderd wordt, bij te plaatsen, maar wordt een letter of een woord overgeslagen, of verkeerd verplaatst, dan is correctie onmogelijk. In dit geval zijn de platen onbruikbaar, en is de daaraan besteden arbeid mede verloren. Doch aanneemend, dat door buitengewone accuraatheid bij den vervaardigder der platen, het mogelijk is, alle tot onbruikbaarheed leidende fouten te vermijden, dan wordt het drukken volgens deze methode toch nog erg duur, omdat men voor ieder blad, dat men drukt, twee platen behoeft. Dit veroorzaakt op een boek van 150 bladen eene aanmerkelijke uitgave, die te zwaarder drukt, omdat men vooral in ons klein land slechts een betrekkelijk zeer gering getal exemplaren van hetzelfde werk kan opleggen. Alleen muziekwerken zijn over geheel de wereld bruikbaar, terwijl bij alle andere werken de verscheidenheid der talen het gebruik der boeken, behoudens enkele uitzonderingen, tot het eigen land beperkt. Daarbij komt dan nog het verschil van godsdienst, het welk oorzaak is, dat wij in onze gestichten bijna uitsluitend slechts voor os zelvden kunnen drukken. In plaats dus van deze voor ons onpractische en kostbaare drukmethode over te nemen, hebben wij onzen eigen weg gevolgd, en gepoogd, onze tot dusverre gevolgde drukmethode voor tusschenlieniënschrift te verbeteren en zoo practisch mogelijk te organiseren. In hoeverre wij daarin zijn geslaagd, zal hetgene volgt blijken.

Alvorens deze te bespreken, moeten wij nog even zeggen, op welke wijze wij vroeger dubbelzijdigen tusschenliniëndruk vervaardigden. Hetzelfde materiaal, dat voor het enkelzijdig drukken had gediend en dat wij boven reeds beschreven, bleef in zijn geheel behouden. Alleen werden de interlienies zooveel dikker genomen, dat hun inhoud en afmetingen juist een regel gezette typen vertegenwoordigden. Men zette nu twee vormen, die elke eene bladzijde druk bevatten, en wel zoo, dat de eerste begon met een regel typen gevolgd door eene interlinie, terwijl de tweede werd aangevangen met eene interlinie, gevolgd door een regel typen. De interlinies hielden na iederen regel typen de ruimte vrij, die voor het drukken van een regel typen aan de keerzijde van het papier werd gevorderd. Beide vormen werden dan achter elkaar op de sleede der pers gelegd, met een blad vochtig papier belegd, en gedekt met eene plank, waarop reepjes zacht gomelastiek, ter breedte van een regel typen, zóó waren bevestigd, dat zij op de regels typen van beide vormen drukten. Door draaiing van den zwengel der pers, werd dan de slede stusschen twee cylinders door geperst. Was de geheele slede de cylinders gepasseerd, dan werd de plank afgenomen en aan de eene zijde gedrukte bladen papier, waarvan het eene de eerste- en het andere de tweede bladzijde bevatten, verwisseld, ze werden hierna, maar nu met de reeds relief gedrukte regels omlaag, zoo op de drukvormen afgelegd, dat de reeds gedrukte regels tegenover de latten van den vorm, en de bij den eersten druk door de latten vrijgehouden ruimte, op de typen kwam. Hieruit blijkt, dat wij het blad papier niet in eens aan beide zijden, maar het eene bladzijde na het andere drukten. Dit was niet practisch en baarde meerdere moeiljkheden, die schier op iedere gedrukt blad, min of meer voor duidelijkehid en zuiverheid van den druk nadeelige sporen, achterlieten. Deze ontstonden ook gedeeltelijk uit kleine technische onvolmaaktheden, die sommige deelen van het zetmateriaal aankleefden en waardoor het schier onmogelijk werd de drukvormen nauwkeurig en correct op te sluiten. Onze eenvoudige houten pers, die voor den enkelzijdigen druk zeer doelmatig was, bleek voor den tusschenliniëndruk minder geschikt, wijl het blad papier niet over zijn geheele oppervlakte in eens, maar slechts geleidelijk regel na regel tusschen de cylinders kwam en druk ontving. Dit veroorzaakte dikwerf eene kleine verschuiving van het papier gedurende het drukken, waardoor het relief van het eerste drukken beschadigd en dikwerf onbruikbaar gemaakt werd. Door deze en nog andere bezwaren, die wij ondervonden, zonder ze te kunnen overwinnen, kregen wij de overtuiging, dat de tusschenliniëndruk twee zaken gebiedend eischt; volkomen zuiverheid en onderlinge overeenstemming tusschen het zetmateriaal en eene pers, die het mogelijk maakt, met twee gezette vormen tegen elkaar in, een blad papier aan beide zijden tegelijk en op hetzelfde moment, over zijne geheele oppervlakte, te drukken. Wij streefden er naar, ons eenvoudig en voor een blinden zetter alleen geschikt systeem, van typen, uit drie deelen samengezet, te behouden en hebben ook dit bereikt. Er werd hierdoor nog meer gevorderd ten opzichte van zuivere bewerking van het zetmateriaal.
De firma joh. Enschedé en Zonen te Haarlem, wien de vervaardiging er van werd opgedragen, heeft tot onze algeheele voldoening, ons voortreffelijk, in alle deelen zuiver en exact fungeerend materiaal geleverd. Eene pers, voor ons doel uitneemend geschikt, vonden wij, in de victoria-degelddrukpers der firma Rockstroh en Schneider te Dresden Heidenou. Deze pers, ofschoon voor het drukken met inkt gebouwd, eischte slechts een paar niet ingrijpende veranderingen, om voor alle soorten reliefdruk en bijzonder voor de wijze, waarop wij zulks wilden doen, voortreffelijk geschikt te worden. Bij het gewone drukken met inkt wordt de gezette vorm tegen het fundament der pers geplaatst en dient de bewegelijke degel, om het papier tegen de typen te voeren. Voor ons doel moest ook op de degel een gezette vorm kunnen bevestigd worden, en moesten beide vormen, die van het fundament en die van den degel, zoo zuiver tegenover elkander vallen, dat beider zetsel in elkaar kon ingrijpen. De firma ging op ons voorstel in en bracht naar onze aanwijzing de gewenschte veranderingen bereidwillig aan. Zij slaagde volkomen, zoodat wij ook in deze bezitten, wat wij wenschten. Voor het gelijktijdig drukken van een blad papier aan beide zijden moet het zetmateriaal in elkander ingrijpen. Dit laatste eischt tweederlei typen, namelijk relief- en contrarelief- of positieve- en negatievetypen. De positieve typen behielden wij volgens ons eigen systeem uit drie deelen samengesteld. Met deze drie vormpjes kunnen, gelijk wij reeds zeiden, alle teekens van het braillesysteem worden gevormd; dus het alphabet met interpunctie, de cijfers en cijferteeekens en alle teekens voor het drukken van muziek. Voor het zetten van relieftypen wordt dus niets meer gevorderd, dan een quantum van elk dezer vormpjes. Het zij opgemerkt, dat er steeds voor elke letter of teeken drie moeten worden bijeengevoegd. Bij deze vormpjes komt een spatie, om de woorden enz. te scheiden. Deze spatie gelijk ook de tegen of contratyp, komt in alle afmetingen volkomen zuiver overeen met de uit de drie vormpjes samengestelde relieftyp. Tusschen de spatiën en de contratypen bestaat alleen dit verschil, dat de laatsten op het bovenvlak zes uitdiepingen of ronde puntjes hebben, waarin bij het drukken de punten der relieftypen ingrijpen, en zich in het tusschenliggende papier afdrukken. In het geheel vordert onze drukmethode dus slechts vijf verschillenden typen. Beschouwt men de uit drie vormpjes samengezette relieftyp als één, dan heeft men in het geheel slechts drie typen, die alle in afmetingen volkomen aan elkaar gelijk zijn. Strikt genomen is er voor het zetten van alle soort braille-drukwerk niets meer gevorderd en ons zetmateriaal is dus zeker wel tot het kleinst mogelijk getal typen c.a. teruggebracht. De omstandigheid, dat alle relieftypen uit drie vormpjes moeten worden samengesteld, en dus de zetter driemaal in de zetkast moet grijpen, voor elke typ, die hij wil zetten, zou men kunnen aanzien voor een nadeel, wijl daardoor de zetarbeid wordt verlengd. Zulks zou werkelijk het geval zijn, wanneer een ziende vakman voor het zetten werd gebezigd. Deze zou zeker met geheele typen vlugger kunnen werken. Nu echter een blinde de zetarbeid verricht, wordt dit schijnbaar nadeel een werkelijk voordeel. Geschiedde het zetten met heele typen, dan zou de berging van al het zetmateriaal eene zetkast eischen, die in minstens 70 vakken was afgedeeld. Een ziende wiens hand door het oog wordt geleid, kan in eene kast, met zoveel naast elkaar liggende vakken, zonder moeite en zonder mistasten, nemen, wat hij behoeft, maar ook de handigste en vlugste blinde vindt daarin nooit, met eenige zekerheid den weg. Alleen door tellen en zoeken zou hij daaruit kunnen zetten, en hiermee zou tijd verloren gaan als hij nu behoeft, om driemaal een zekeren greep in de zetkast te doen. En nu spreken wij nog niet van het distribueeren van het materiaal na het drukken, wat natuurlijk ook veel meer tijd zal kosten, en dat nu stellig even vlug door hem wordt verricht, als een ziende vakman met heele typen vermag te doen.
Overeenkomstig met hetgeene wij hiervoor nopens het zetmateriaal zegden, zou de zetkast slechts vijf vakjes of bakjes behoeven. Zij heeft er echter elf, omdat wij de klinkers, a, e, i, o, u en y in heele typen bezigen.
De zetkast heeft meer vakken. De reden hiervan is, dat zij eigenaardig en practisch voor blinde zetters is ingericht. Voor de berging van het gezamelijk zetmateriaal is eene zetkast noodig van 1 vierkante meter oppervlakte en 8 cm. diepte. Gelijk de zetter aan den arbeid op de onderstaande gravure wordt voorgesteld, kan hij onmogelijk een vierkante meter bereiken. En al zou hij dit kunnen, dan zou het toch onpractisch zijn, omdat hoe dichter het materiaal bij de plaats is, waar het moet gebruikt worden, hoe vlugger het ook kan worden geplaatst. De zetkast is daarom verdeeld in vijf hoofdvakken. Vier dezer zijn ieder 60 x 40 cm. groot. Deze vier hoofdvakken zijn ingericht als volkomen zetkast, zoodat in ieder vak alles is vervat, wat voor het zetten noodig is, alleen de tegen- of contratypen uitgezonderd. Deze laatste vinden hunne plaats in het vijfde vak, dat door de vier genoemde ingesloten, het middelpunt der zetkast vormt. Onder den bodem der zetkast, die met haar inhoud +- 150 kilogram weegt, zijn vijf draaibare rolletjes bevestigd. Hierop rust zij op het blad van het onderstel en wordt alleen door een pin op het middelpunt van het blad zóó vastgehouden, dat zij naar believen kan worden verdraaid. Door deze inrichting der zetkast, kan één zetter ze in haar geheel benutten; want, is één der hoofdvakken leeggezet, dan behoeft hij het zettafeltje slechts een weinig terug te schuiven om met iederen kwartdraai van de kast een ander vak, op de plaats van het eerste, in zijne onmiddellijke nabeiheid te brengen. Er behoeft dus nooit met de kast gedragen te worden, de zetter behoeft nooit meer dan een vierkanten halven meter te bereiken, en zoo noodig kunnen ook twee, drie of zelfs vier zetters tegelijk aan de zetkast werken, zonder elkaar te hinderen.
De blinde zetter verricht zijn arbeid op een bordje van zink, dat den zethaak, door de zienden gebezigd, vervangt. Hij zet eene geheele bladzijde achter elkaar en wel in een rechthoekig gebogen beugel, die langs drie der vier zijden de gezette bladzijde omspant en bij elkaar houdt. Het zetten geschiedt van rechts naar links en van onder naar boven. De letters of teekens moeten dus omgekeerd, d.i. het onderstboven worden gezet. De rechterhand voert het materiaal aan en de linkerhand zet het in den gevorderden stand op zijne plaats. Een en ander gaat zoo rap en zeker in zijn werk, dat men het ziende, geheel vergeet, dat het een blinde is, die dit, zelfs voor zienden nog lastig werk, verricht.
Doordien wij met twee gezette vormen tegen elkaar in drukken, moeten typen en tegentypen juist een zuiver met elkaar in verband worden gezet. Geldt dit voor de gezette vormen in haar geheel, het geldt ook voor iedere bladzijde en voor iederen regel. Komen ergens typen tegenover typen, dan drukken zij elkander plat en zijn bedorven en onbruikbaar. Om dit, zooveel mogelijk, te voorkomen, geldt als regel, dat de oneven bladzijden beginnen met een regel typen, gevolgd door een regel contratypen, en zoo vervolgens tot het bladzijde gereed is. De even bladzijden beginnen daarentegen met een regel contratypen gevolgd door een regel typen. Hierdoor staat van zelf alles juist in verband met elkander. Om het zetten te vergemakkelijken en te bespoedigen, hebben wij in het ondervlak der contratypen eene opening laten gieten, die het mogelijk maakt, ze aan een metalen latje te klemmen en zoo tot stukken van willekeurige lengte te vereenigen. Voor het meest gebruikte, groot octavo formaat, dat per regel 23 typen heeft, bezitten wij stukken, die een geheelen regel vertegenwoordigen, welke dus ineens kan gezet worden. Voor losse typen zou de blinde zetter daar anders 23 maal voor in de zetkast moeten grijpen; en daar een gezetten vorm evenveel regels contratypen als typen bevat, wordt de tijd die voor het zetten van een pagina vordert, er tennaastenbij door teruggebracht tot de helft van die, welke hij anders zou vorderen. Het verdient ook nog vermelding, dat de contratypen (wij zouden thans misschien beter van contraregels kunnen spreken), geplaatst zijn in het middenvak der zetkast. Daaruit ontstaat voor den blinden zetter het beduidende voordeel, dat hij, uit welk der vier zetkasten hij werkt, steeds de regels contratypen, op dezelfde plaats en op dezelfden afstand heeft. Heeft de zetter eene bladzijde klaar, dan brengt hij deze naar de corrigeer en opsluittafel, waar hij, de door den ijzeren beugel bijeengehouden pagina zetsel van het bordje laat glijden, en vervolgens schuivende op de plaats brengt, waar zij, volgens onderling verband voor het opsluiten in de drukramen moet wezen. Wijl het opsluiten, van de gezette paginas, in de drukramen voor oonze methode van drukken, met pijnlijke zorgvuldigheid en met volkomen gelijkheid van beide ramen, die tegen elkander dienen, moet geschieden, hebben wij deze zoo doen inrichten, dat ook een blinde dit anders zoo moeilijk werk zeer gemakkelijk en correct kan verrichten. De drukramen hebben binnen eene volkomen zuivere en haaksche ruimte van 48 x 35 cm. De ruimte kan over lengte en breedte, door inschuiving van eveneens in alle afmetingen zuiver recht en haaksch afgewerkte latten, naar believen worden verkleind. In plaats van, gelijk zulks in gewone zienden drukkerijen geschiedt, het zetsel middenin de ramen op te sluiten, dringen wij het tegen de kanten. Daardoor wordt het volkomen haaksch en zuiver aan elkaar gelijk opsluiten van het zetsel in de ramen, ook voor een blinde, niet alleen mogeljik, maar ook, zoodra hij daarin eenige routine bezit, zelfs zeer gemakkelijk. Ieder raam kan twee paginas in groot kwarto- of vier paginas zetsel tegen elkaar indrukken, bekomen wij in het kwarto 4, en in het octavo formaat 8 bladzijden druk ineens, dus aan iedere zijde van het papier 2 of 4 bladzijden. De inliggende proeve van den druk is bijna een octavo bladzijde groot.
Wij hebben hiervoor reeds gezegd, dat het drukken van tusschenliniën en tusschenpuntschrift naar onze overtuiging, alleen dan exact en correct met typen kan geschieden, als het blad papier, over zijne geheele oppervlakte op hetzelfde moment, door de drukvormen wordt vastgenomen en gedrukt. Hieraan voldoet onze victoria pers zoo volkomen mogelijk. Hoewel zij niet – zoals wij elders reeds zegden – voor het drukken van brailleschrift is vervaardigd, betwijfelen wij toch, of zij, indien zij expres voor dit doel was gebouwd, geschikter en meer geeigend er voor kon wezen, als zij nu is. Beschouwt men onderstaande gravure der nieuwe pers, dan ziet men bij b, tegen het fundament, of vaste deel der pers, een voor het drukken gereed zijnden vorm, van 4 bladzijden. Een dito vorm ligt ook op den degel. Deze laatste is niet geheel zichtbaar, ter oorzake van het druktafeltje der pers, (deskundigen zullen opmerken, dat de druktafeltjes der pers eigenlijk verkeerd en ondoelmatig staan. Dit moge waar zijn voor zienden en gewoon drukwerk. Voor ons staan ze zóó het doelmatigst) dat er voor valt. Wordt door draaiing met den zwengel de pers in werking gebracht, dan richt zich de degel op en plaatst zich rechtstandig voor den anderen vorm, doch zoo, dat er tusschen beiden in nog een paar centimeters ruimte is. Deze ruimte schuift de degel dan rechtstandig vooruit, tot de typen van beide vormen in elkaar grijpen, en zich hierdoor in het tusschenliggende blad vochtig papier, afdrukken. Is het geschied, dan maakt de degel weer dezelfde beweging terug en komt weer in liggende toestand. Nu wordt het gedrukte blad afgenomen en weer een nieuw opgelegd. Bij gewoon drukwerk met inkt, kan het afnemen der bladen en het opleggen van nieuwe zóó vlug geschieden, dat de pers lopende blijft. Bij onze braille-druk kan dit niet zoo vlug van de hand gaan, omdat het papier eenigermate op de relieftypen wordt vastgehouden en recht omhoog moet worden afgelicht. Door verstelling van een degel kan de hoogte van het relief naar believen worden geregeld. Gelijk te begrijpen is, moet het drukpapier voor het drukken zuiver op de vereischte maat worden gesneden, want, is het bedrukt, dan kan zulks slechts hoogbezwaarlijk meer geschieden, zonder het relief van den druk te beschadigen. Hieruit volgt ook, dat het, voor het ontvangen van den druk, nauwkeurig moet worden opgelegd, ten einde de onbedrukt blijvende randen, langs alle zijden van den druk, aan elkaar gelijk te houden. Onze pers bezit hiertoe een eenvoudig en practisch toestel, dat over het drukraam van den degel kan worden gelegd en ter weerszijden van het raam op den degel wordt vastgehouden. Wijl het toestel willekeurig kan gesteld worden, laat zich het juist leggen van het drukpapier voor ieder formaat door hetzelve correct en doelmatig regelen. De omhoogstaande lat grijpt het drukpapier vast, als de degel ten naastenbij recht staat en belet, dat het door zijn vochtigen staat zeer zachte papier, bij zijn loodrechten stand buigt of afvalt. Zij bewerkt ook, dat het gedrukte blad op den vorm van den degel blijft, en, zoo als gezegd is, gemakkelijk en vlug kan worden afgenomen en door een ander vervangen. De lat kan naar believen over geheel de breedte van den degel worden gesteld, en desverlangd, kunnen ook twee of drie zulke latten voor hetzelfde doel worden geplaatst.

Uit hetgene wij in dit opstel nopens onze vroegere drukmethoden zegden, zullen onze geëerde weldoeners hebben opgemerkt, dat wij er op bedacht waren, alles zoo in te richten, dat blinden met alle werkzaamheden, die het drukken vordert, konden worden belast. Ook thans verloren wij, dit voor ons gewichtig punt, bij de reorganisatie en vernieuwing van drukmateriaal en pers, niet uit het oog. En, gelijk vroeger, zijn wij ook thans daarin volkomen geslaagd. Alle werkzaamheden, zetten, opsluiten, drukken, corrigeeren en zelfs het opleggen van het papier, kan een blinde zelfstandig en alleen verrichten. Deze goede eigenschap is zeker niet de minste, van die, welke onze drukmethode, op de elders gevolgde, voor heeft. Want, daar wij altijd voor dit werk geschikte blinden in huis hebben, wordt er het salarieeren van een zienden vakman, door uitgespaard. EEne andere goede eigenschap, is ook, dat niet gelijk bij den steriotypplatendruk elk boek nieuwe uitgaven eischt; terwijl zij op de drukethode met heele typen voorheeft, dat er een minder typenquantum noodig is, en dat het klein getal derzelve (slechts vijf stuks of hoogstens elf stuks), de kosten der aanschaffing aanmerkelijk vermindert. Is een stel vormen gedrukt, dan worden zij uit de pers genomen, losgemaakt, en wordt het zetmateriaal op nagenoeg denzelfde wijze, en met hetzelfde gemak weer in de kast gedistribueerd. Het blijft dus gedurig voor nieuwe vormen en boeken dienen, zonder andere kosten te veroorzaken, dan die voor het papier. Deze laatste goede eigenschap krijgt voor ons nog eene bijzondere waarde door het feit, dat wij als katholieke inrichting in ons land geheel alleen staan. Wij kunnen daardoor slechts bijna uitsluitend voor eigen gebruik drukken en dus maar een klein getal exemplaren van een werk opleggen. Moesten wij ons nu, voor ieder te drukken werk, nieuwe uitgaven getroosten, dan zouden de boeken, die ter oorzake van het deugdelijk papier, dat de druk eischt, toch al betrekkelijk zeer duur zijn, nog veel hooger komen. Voor zoover ons bekend is, wordt nog nergens anders het braille-tusschenliniënschrift met typen gedrukt. Ook in dit opzicht is dus onze methode nieuw. De druk munt uit voor gelijkmatigheid van de reliefhoogte, door stevigheid en stabililiteit der punten en door eene zekere strakheid en gladheid derzelve, waardoor bij het lezen, het gevoel van de vingertoppen der blinden niet vermoeit of verdoofd wordt, wat bij het lezen van sommigen druk zeer hinderlijk is. Inliggende proeve van den druk kan als bevestiging hiervan dienen. Door dezelve, kunnen onze geëerde weldoeners zich ook een denkbeeld vormen, van het voor brailledruk gevorderde papier en van de vaardigheid, waarmede een blinde met ons materiaal werkt. Het zetten en distribueeren van een tekst, als deze drukproef, kan in 40 minuten worden verricht. Het zetten en distribueeren van eene groot octavo bladzijde van 28 regels, (om den anderen regel typen en contratypen), vordert niet meer dan een half uur.

Om volledig te zijn, moeten wij nu nog spreken over de in gebruikzijnde methoden voor het drukken van tusschenpuntschrift. Ook hiervoor bezigt men het meest steriotypplaten, als hiervoor door ons zijn beschreven. Deze methode is vooral in Engeland, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland misschien wel de eenig gebruikte. In Frankrijk, bepaaldelijk te Parijs, en ook in ons land in het instituut te Amsterdam en bij de firma Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem, drukt men met samengestelde typen, d.i. met typen, die een relieftyp en een contrarelieftyp in zich vereenigen. Deze typen zoo duidelijk te beschrijven, dat niet-deskundigen er zich een goed begrip van kunnen vormen, is zonder afbeeldingen niet mogelijk. Wij gaan er daarom thans niet verder op in, want gelijk wij op blz. ?? reeds zegden, hebben wij het plan, ook voor dit soort braille-schrift, het noodige zetmateriaal naar eene door ons zelf bedachte nieuwe methode aan te schaffen. Bezitten wij dit, dan zal het zeker de moeite loonen, daar nog eens een afzonderlijk opstel aan te weiden en het begrip van den tekst door gravuren te vergemakkelijken.
Het gedrukte velletje braille-schrift, dat hierbij is gevoegd, bevat een klein gedicht van den Vlaamschen priester-dichter Guido Gezelle. Met behulp der tabel, hiervoor afgedrukt, kunnen diegenen onzer geëerde weldoeners, die er plezier in hebben, den inhoud zonder groote moeite ontcijferen.

Nota bene


Sommige onzer geëerde weldoeners, bewijzen ons en onze blinden een gewichtigen dienst door het overbrengen van godsdienstige werken en verhalen in braille-schrift. Wij hopen, dat zij door de lezing van dit opstel niet zullen denken, dat hun verdienstelijk werk nu overbodig is geworden, want zulks is in geenendeele het geval. Allen boeken, waarvan een zeker getal exemplaren kan worden opgelegd, zooals school- en kerkboeken, loonen de werkzaamheden, die het drukken vordert. Werken voor de bibliotheek moeten ook nu nog met de hand worden gemaakt. Wij verzoeken daarom, onze geëerde weldoeners, die ons en onze blinden tot dusverre hierin zulke gewaardeerde diensten bewezen, daarmede te blijven voortgaan.

(De brailletekst is overgetikt door Bianca Stokkingreef en Yvonne Zuidema. De gravures waarover wordt gesproken bevinden zich niet in onze collectie.)



naar de beginpagina van verslagen van de Graafse blindeninstituten
naar de beginpagina van documenten
naar de beginpagina van de collectie
naar leer- en hulpmiddelen
naar interviews
naar de beginpagina van de website