Venten voor blinden


© Ad van der Waals, september 2025.

(Dit artikel is eerder gepubliceerd in Moet je Horen, luistermagazine voor blinden en slechtzienden, aflevering oktober 2025 [een uitgave van Passendlezen.nl/voorstekamer.nl])

Af en toe krijg ik een vraag over gebeurtenissen uit het verleden van organisaties en instellingen van en voor mensen met een visuele beperking. Dat is dan aanleiding een speurtocht naar informatie te starten. Zo kwamen er bij de Ooglijn twee foto's binnen van een bestelauto waarop met grote letters op de imperiaal stond: Denkt aan de blinden.
Zie:
fotootje     fotootje
Naar de foto's in groter formaat


Ergens anders zag ik een vergelijkbare foto van een auto met daarop geschilderd Blindenzorg Grave. Welk verhaal zat er achter de foto's, was de vraag van de Ooglijn namens de toezenders. Loek Meijer, betrokken bij het werk van het Nationaal Blindenmuseum, deed vervolgens bij hen navraag naar het verhaal achter de foto's.

Tussen 1952 en 1959 ventte hun vader voor eigen rekening met door blinden gemaakte producten die hij in Grave ophaalde. Dat zal de werkinrichting van St. Henricus zijn geweest. Hij ging met de bestelauto bij mensen langs om producten te verkopen die daar gemaakt waren: vooral borstels, matten, bezems en vlechtwerk. Hij was niet in loondienst van het instituut en had de auto zelf aangeschaft. Waarschijnlijk werd hij per verkocht artikel betaald. De opbrengst viel volgens zijn zoons zeker niet mee dus een vetpot was het thuis zeker niet. De auto werd voor de vakantie leeggehaald en trok natuurlijk vanwege het opschrift op campings nogal wat bekijks. Helaas zijn alle tastbare herinneringen - behalve de twee foto's - uit die tijd weggegooid en blijft bij de zoons de vraag staan hoe het precies zat. Was het werk van hun vader uniek of waren er veel meer mensen die op deze manier producten van blindenwerkplaatsen verkochten? Tot ver in de jaren vijftig van de vorige eeuw was huis-aan-huis verkoop van door blinden gemaakte producten gebruikelijk. In de meeste huishoudens was er in die tijd overdag altijd wel iemand thuis: mannen werkten buitenshuis en vrouwen zorgden voor het huishouden. Die hadden altijd wel behoefte aan artikelen die nuttig gebruikt konden worden. Verkoop aan huis van door blinden gemaakte artikelen gebeurde voor de Tweede Wereldoorlog op grote schaal. Dat gebeurde dan ook wel door blinden zelf die zich door een ziende lieten begeleiden. Het was voor hen vaak de enige manier om een inkomen te hebben zonder te bedelen. Voor de blindenwerkplaatsen, die het nog zonder overheidsfinanciering moesten doen, was het destijds een effectieve en lonende methode om een afzet te hebben voor hun producten. Het risico van een slechte verkoop lag dan wel bij de persoon die langs de deuren ging. De blindenbonden toonden zich altijd kritisch over deze wijze van werken. Zij streden voor een eerlijk loon voor de door blinde medewerkers verrichte arbeid. Maar zij ergerden zich ook aan de bijsmaak van liefdadigheid, waarbij een beroep werd gedaan op een gevoel van medelijden bij de potentiele kopers. 'Ook als je iets niet echt nodig had kon je iemand toch niet aan de deur wegsturen zonder iets te kopen', was bij velen de overheersende gedachte. Dit soort liefdadigheid stuitte op verzet van de blindenbonden, ook toen de huis-aan-huis verkoop werd overgelaten aan zienden. Begin van de jaren vijftig was de helft van de ongeveer vijftien toenmalige blindenwerkplaatsen nog op deze wijze in het hele land actief. De briefschrijvers spreken over Zeeland maar ik ken ook verhalen in Limburg en in Groningen, kortom, waar dan ook in het land. Met de veranderingen in de bedrijfsvoering van de werkplaatsen werd het steeds meer geaccepteerd dat producten ook via de andere en meer zakelijke verhoudingen verkocht werden en niet op provisiebasis door en aan particulieren. Bovendien gingen mechanische productiemethoden een grotere rol spelen dan de handarbeid, waardoor ook het begrip 'blindenarbeid' een andere betekenis kreeg. Pas aan het eind van de jaren zestig was de verkoop aan huis min of meer voorbij. Het was ook de tijd waarin de verkoop aan de deur in het algemeen aanzienlijk minder werd. De tijd van bezorging aan huis van zuivelproducten, brood en groente was praktisch voorbij. Hooguit de SRV-wagens waren nog in het straatbeeld te zien en de tijd van het aan huis bezorgen van maaltijden van op scooters, bromfietsen en fatbikes moest nog komen. Helaas bevatten de twee foto's de enige tastbare herinnering die de zoons hebben aan het werk van hun vader. Of hun vader deel uitmaakte van een organisatie met meer werkplaatsen dan die in Grave en met meer verkopers weten de zoons niet. Dat zal zeker het geval zijn geweest en - wellicht ter geruststelling - gelet op de band met Grave zal hij zeker bonafide aan het werk zijn geweest. Vanaf de jaren vijftig tot het midden van de jaren zestig was er nog een aantal blindenwerkplaatsen die verbonden waren aan een instelling van blindenzorg, vaak een woonvoorziening. Een aantal ervan gingen in 1954 een samenwerking aan in de Stichting Samenwerking Blindenzorg. Dat waren St. Antonius van Padua in Grave, St. Lucia in Arnhem, Licht en Liefde in Maastricht en Blindenzorg Noord Holland. De opzet was om een gezamenlijke verkooporganisatie te vormen. Het had al snel een kantoor in Breda, aanvankelijk met een depot ondergebracht in een boerderij, zoals het dagblad De Stem schreef: 'Onder hetzelfde dak staat een fokvette zeug op zijn laatste dag te wachten'. De stichting kreeg in 1955 ook een depot in het plaatsje Engelen bij Den Bosch, waar een instelling was gevestigd die huisvesting bood aan vrouwelijke blinden en slechtzienden. Hoewel de naam van de zorginstellingen een andere indruk wekt werkte de stichting voor alle gezindten, zoals kort na de oprichting nadrukkelijk in de pers duidelijk werd vermeld. Het tehuis voor blinden in Engelen en ook het depot verhuisden in 1974 naar Vught en gingen op in de daar gevestigde voorzieningen. In de tijd dat de samenwerking in de stichting tot stand kwam werd binnen de koepelorganisatie VNBW gesproken over het opzetten van een keurmerk voor producten waarvan zeker was dat ze door blinden gemaakt waren. Er waren namelijk nogal wat beunhazen aan het werk die misbruik maakten van de goedgelovigheid van mensen. Soms moest de rechter er aan te pas komen om misbruik te bestraffen. Ik las een uitvoerig bericht over een rechtszaak tegen twee mannen die zich aanvankelijk bij een instelling voor blinden hadden aangeboden als colporteur. Toen zij daar niet aangenomen werden begonnen ze voor zichzelf. Ze kochten een voorraad borstels in en verkochten die naar eigen zeggen ten behoeve van de Veco, een Verkoopkantoor ten bate van Blinden. Volgens een krantenbericht bestond die organisatie helemaal niet. Het was dus een verzinsel. De opbrengst van de verkochte goederen hielden ze voor zichzelf. Geen cent kwam ten goede van blinden en zelfs de leverancier van de borstels werd niet betaald. Na een paar weken werden ze in Maassluis aangehouden. Volgens de officier van justitie hadden ze hun zaken groots opgezet en 'met hun laffe speculatie op de liefdadigheidszin van het publiek' de blindenzorg ernstig benadeeld. Een strenge straf moest als een afschrikwekkend voorbeeld dienen. Of de eis van vijftien maanden cel door de rechter ook uitgesproken is en of de beschuldiging fraude of diefstal betrof, weet ik niet. Misleiding van hun klanten zou natuurlijk ook genoemd kunnen worden.

Aan de werkwijze van colportage of huis-aan-huis venten aan de deur 'voor de blindenzorg' is in de loop van de jaren zestig een einde gekomen. De blindenwerkplaatsen waren opgeheven of opgegaan in sociale werkplaatsen die werkten in opdracht van de overheid of ten behoeve van bedrijven. Zij leverden zeker niet meer rechtstreeks aan particulieren. Aan huis zie ik één keer per jaar een verkoper langskomen met kaarten 'voor daklozen' waarvan je met zekerheid kunt zeggen dat het gewoon bedelen is. Dat is natuurlijk anders in het najaar met de kinderen met de kinderpostzegels die wel welkom zijn. Maar de hinderlijke verkopers van internet- en kabelaansluitingen of energiecontracten, aanbieders van tuinonderhoud of mannen die beweren dat de dakpannen niet goed liggen komen bij mij niet binnen. Of ik vroeger verkopers van huishoudelijke artikelen 'voor de blinden' de deur had gewezen, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Maar daarmee ben ik wel ver afgedwaald van de aanleiding van dit artikel dat begon met de behoefte van twee zoons om meer te weten over het werk dat hun vader ooit deed.



naar de beginpagina van documenten
naar de beginpagina van de collectie
naar leer- en hulpmiddelen
naar interviews
naar de beginpagina van de website