130 jaar belangenbehartiging


door Ad van der Waals

(Eerder verschenen in Moet je Horen, luistermagazine voor blinden en slechtzienden; jrg. 2025, nummer 3 uitgave van De voorste kamer].)

De verenigingen van blinden en slechtzienden hebben zich sinds hun oprichting in 1895 vaak beschouwd als dé behartigers van de belangen van mensen met een visuele beperking, 'want wie kon beter voor hun individuele of gezamenlijke belangen opkomen dan zij zelf', was de opvatting van deze verenigingen, die lange tijd bekend stonden als de blindenbonden.
De oprichters van de eerste blindenbond in 1895, de Nederlandsche Blindenbond, hadden in eerste instantie het oogmerk aan blinden een mogelijkheid te bieden om in eigen kring met lotgenoten contact te hebben en culturele activiteiten te ontplooien. Je zou kunnen zeggen: belangenbehartiging van een beperkt karakter, tegemoetkomend aan de individuele behoeften van de leden. Onderling contact en soms ook ondersteuning ondervinden van elkaar is later ongetwijfeld voor veel mensen de reden geweest om lid van een vereniging van blinden en slechtzienden te worden.

Er zijn vele belangenbehartigers


In de naam van de verenigingen kwam het woord 'belangen' of 'belangenbehartiging' overigens pas veel later voor en dan soms mondjesmaat. Sinds de laatste eeuwwisseling droeg een voorloper van de Oogvereniging gedurende een korte periode de naam Federatie Slechtzienden en Blindenbelang. De Nederlandse Christelijke Blindenbond NCB heeft sinds 2019 het woord ‘belangenvereniging’ toegevoegd aan de statutaire naam. In de jaren ‘70 van de vorige eeuw was er een groep blinden en slechtzienden die zich tooide met de meer sprekende naam ‘actiegroep’ en later noemde een organisatie van de gebruikers van geleidehonden zich ‘belangengroep’. Andere verenigingen en de in 1977 opgerichte Nederlandse Vereniging van Blinden en Slechtzienden (NVBS) waren kennelijk te bescheiden om het woord 'belangen' in hun statutaire naam op te nemen. Maar de NVBS noemde belangenbehartiging, voor zover het ging om het streven naar een volwaardig kunnen functioneren in de samenleving altijd wel als tweede pijler van haar werk, naast lotgenotencontact, voorlichting en ledenservice. Overigens was de NVBS nadrukkelijk een vereniging van blinden en slechtzienden; verwanten en sympathiserende zienden werden pas in de jaren negentig na een statutenwijziging toegelaten. Ik was een van de eersten. Ook de latere patiëntenverenigingen afficheerden zich in hun naam niet echt als belangenbehartigers terwijl ze natuurlijk in veel opzichten wel degelijk opkwamen voor het belang van hun leden. Dat was vooral om goede informatie te krijgen over alles wat met een oogdoening te maken had en ook om kennis en ervaringen uit te wisselen. Bovendien zijn er talloze verenigingen van blinden en slechtzienden die gelegenheid bieden een sport of een creatieve activiteit te beoefenen. Ook dat is natuurlijk belangenbehartiging. Tenslotte reken ik ook de fondsen tot deze categorie van belangenbehartigers. Veel fondsen doen ‘in stilte’ goede dingen en een enkele is actief geld wervend om zelf nuttige dingen te doen of anderen daartoe in de gelegenheid te stellen.

Activisme als belangenbehartiging


In de afgelopen 130 jaar hebben we vaak gezien dat leden van verenigingen met een breed karakter hun 'voorlieden' en bestuurders aanspoorden tot concrete actie om verbetering te brengen in de omstandigheden waarmee mensen met een visuele handicap te maken kregen. Met die boodschap traden voorlieden die de kennis, de capaciteit, de tijd en de energie daarvoor hadden naar buiten om aandacht te vragen voor de materiële en soms geestelijke behoeften van hun leden. In 1947 werd er zelfs een brede koepel opgericht die actief de stem van de sector verhief tegen het beleid van de landelijke overheid, of liever: die pleitte voor een ander en beter beleid. De bonden, de toenmalige dienstverleners en ook fondsen richtten zich met hun acties vooral op de landelijke overheid. Die werd erop aangesproken te zorgen voor sociale voorzieningen en voor voorzieningen die het leven van blinden en slechtzienden ten goede moesten komen. Het was de tijd dat ministers en Tweede Kamerleden congressen van de blindenbonden bezochten.
Pas toen de gewenste voorzieningen min of meer gerealiseerd waren - en dan praten we vooral over de tweede helft van de vorige eeuw - ging de aandacht ook uit naar de kwaliteit van de dienstverlening van instellingen die verantwoordelijk waren voor onderwijs, zorg- en dienstverlening, geleidehonden, werkgelegenheid, hulpmiddelen, lectuur en revalidatie. En natuurlijk kwamen overheidsorganen en verzekeraars die voorzieningen moesten financieren niet zelden onder vuur te liggen. Tegelijkertijd bleef het beleid van de landelijke overheid en later ook de plaatselijke overheden en van grote instellingen als banken, spoorwegen onderwerp van kritische aandacht. De opheffing van de koepel VNBW was in 1999 onvermijdelijk maar misschien een teken van de tijd dat belangenbehartiging op de wijze die we decennia lang gekend hadden er niet echt meer toe deed.

Belangenbehartiging van of voor


In ons land hebben de organisaties van blinden en slechtzienden nooit een verantwoordelijkheid gekregen of zich toegeëigend om zelf die voorzieningen op te richten of in stand te houden. De meeste initiatieven kwamen voort uit het initiatief van mensen die op grond van vooral overwegingen van liefdadigheid of ook rechtvaardigheid en meelevendheid voorzieningen oprichtten. De initiatiefnemers beriepen zich er vooral op dat ze daarmee ook werkten in het belang van blinde en slechtziende mensen. Het in stand houden van een voorziening was een taak die niet door de doelgroep zelf gebeurde. Soms hoorde je zelfs 'liever niet' omdat een te grote betrokkenheid eerder als nadeel voor een doelmatige voorziening werd gezien dan als voordeel. Een te grote betrokkenheid werd in het verleden ook nog wel eens als argument gebruikt om blinden en slechtzienden bij voorkeur niet in besturen van dienstverlenende instellingen op te nemen. Er werd hooguit rekening gehouden met de stem van de belangenorganisaties. In de jaren tachtig tot begin jaren negentig waren de verenigingen van blinden en slechtzienden wel verantwoordelijk voor de hulpmiddelenvoorziening, totdat de zorginstellingen en later commerciële instellingen die taak op zich namen. Vaak overigens met een ruime inzet van visueel gehandicapte medewerkers.
In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw gold de opvatting dat gehandicapten zoveel mogelijk een plaats moesten hebben in besturen en het management van zorginstellingen. Cliëntenraden kregen een serieuze en invloedrijke positie voor het formuleren en uitvoeren van beleid. Dat is lang geleden. De wetgeving die instellingen destijds verplichtte meer te doen om de doelgroep bij het beleid te betrekken, was geen lang leven beschoren. Allerlei effecten van marktwerking in de zorg en dienstverlening maakten belanghebbenden soms weer afhankelijker maar boden hen individueel wel meer kansen om zelf keuzes te maken.

De tijden zijn veranderd


Tegenwoordig zijn er Raden van Toezicht en Colleges van Bestuur die de dienst uitmaken. Herkenbare vertegenwoordigers van de doelgroep in verantwoordelijke posities zijn nauwelijks te vinden. Er zijn talloze deskundige en gemotiveerde medewerkers - ook met een visuele beperking - die zich voor 100% inzetten voor een goede dienstverlening. Maar de stem van de belanghebbenden? Er treden mensen met een visuele beperking veel vaker op als supporter of ambassadeur van een instelling. Laten ze zich daarbij ook gebruiken? Ik wil er niets kwaads over zeggen, maar toch …

Leven in het verleden?


Misschien is dit wel het geluid van een oudgediende waar alleen oudere lezers zich in herkennen. Een oudgediende die de moderne tijd niet meer aanvoelt? Ik voel dat allerminst zo maar wil bij een jubileum toch in historisch perspectief reflecteren - zo heet dat toch? - op de staat van de belangenbehartiging anno 2025.



naar de beginpagina van documenten
naar de beginpagina van de collectie
naar leer- en hulpmiddelen
naar interviews
naar de beginpagina van de website